Naar de inhoud

abseilen

met behulp van een touw van een steile wand afdalen

abseilen

werkwoord

Betekenis

  1. met behulp van een touw van een steile wand afdalen
  2. iemand langs een touw naar beneden laten zakken

Vervoeging van abseilen

abseilenhele werkwoord — seilde abverleden tijd enkelvoud — seilden abverleden tijd meervoud — abgeseildvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik seil ab seilde ab
jij seilt ab seilde ab
hij, zij, het seilt ab seilde ab
wij seilen ab seilden ab
jullie seilen ab seilden ab
zij seilen ab seilden ab
Alle 74 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
ab te seilen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
ab te zullen seilen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
ab zal seilen bijzin, toekomende tijd
ab zou seilen bijzin, voorwaardelijk
ab zouden seilen bijzin, voorwaardelijk
ab zoudt seilen bijzin, voorwaardelijk
ab zullen seilen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
ab zullen seilen bijzin, toekomende tijd
ab zult seilen bijzin, toekomende tijd
abgeseild verleden tijd, deelwoord
abgeseild te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
abgeseild zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
abseil bijzin, tegenwoordige tijd
abseilde bijzin, verleden tijd
abseilden bijzin, verleden tijd
abseilend onvoltooid, deelwoord
abseilt bijzin, tegenwoordige tijd
ev. gebiedende wijs
had abgeseild voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had abgeseild voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had abgeseild voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden abgeseild voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden abgeseild voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden abgeseild voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt abgeseild voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb abgeseild voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben abgeseild actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben abgeseild voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben abgeseild voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben abgeseild voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt abgeseild voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft abgeseild voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft abgeseild voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
seil ab gebiedende wijs
seilde ab verleden tijd
te hebben abgeseild actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen abseilen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
zal abgeseild hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal abgeseild hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal abgeseild hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal abseilen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal abseilen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal abseilen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal abseilen bijzin, toekomende tijd
zou abgeseild hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou abgeseild hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou abgeseild hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou abseilen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou abseilen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou abseilen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou abseilen bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) abseilen ab zou(dt) seilen bijzin, voorwaardelijk
zouden abgeseild hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden abgeseild hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden abgeseild hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden abseilen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden abseilen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden abseilen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden abseilen bijzin, voorwaardelijk
zoudt abgeseild hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt abseilen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt abseilen bijzin, voorwaardelijk
zullen abgeseild hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen abgeseild hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen abgeseild hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen abseilen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen abseilen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen abseilen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen abseilen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen abseilen bijzin, toekomende tijd
zult abgeseild hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult abseilen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult abseilen bijzin, toekomende tijd
zult/zal abseilen ab zult/zal seilen bijzin, toekomende tijd

Herkomst

Leenwoord uit het Duits, in de betekenis van ‘zich langs een touw naar beneden laten zakken’ voor het eerst aangetroffen in 1997

Woordfamilie van abseilen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
abgeseild voltooid deelwoord abseilen
abgeseilde woordvorm abseilen
abseil subordinate-clause, tegenwoordige tijd abseilen
abseilde subordinate-clause, verleden tijd abseilen
abseilden subordinate-clause, verleden tijd abseilen
abseile with-subordinate-clause abseilen
abseilend onvoltooid deelwoord abseilen
abseilende woordvorm abseilen
abseilt subordinate-clause, tegenwoordige tijd abseilen
seil ab gebiedende wijs abseilen
seilde ab verleden tijd abseilen
seilden ab aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon abseilen
seile ab woordvorm abseilen
seilen ab aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon abseilen
seilt ab aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon abseilen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van abseilen zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over abseilen

Wat betekent abseilen?
Abseilen is een werkwoord. Het woord betekent: met behulp van een touw van een steile wand afdalen. Deze pagina beschrijft 2 betekenissen op deze pagina.
Hoe vervoeg je abseilen?
Je vervoegt abseilen als volgt: het voltooid deelwoord is abgeseild. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord abseilen is 13 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. A 1
  2. B 3
  3. S 2
  4. E 1
  5. I 1
  6. L 3
  7. E 1
  8. N 1
  9. 13 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

abseilen levert met Wordfeud minimaal 15 en maximaal 69 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. A 1
  2. B 4
  3. S 2
  4. E 1
  5. I 2
  6. L 3
  7. E 1
  8. N 1
  9. 15 zonder bonus
  10. 69 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (B) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

abseilen in het kort

abseilen staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven staan 2 omschrijvingen, elk met de woordsoort waar hij bij hoort. Van abseilen zijn 45 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort abseilen bij een woordfamilie van 15 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

abseilen: met behulp van een touw van een steile wand afdalen
Deel abseilen — standaardnederlands.nl