aborteren
werkwoordBetekenis
- een foetus weghalen
Vervoeging van aborteren
aborterenhele werkwoord — aborteerdeverleden tijd enkelvoud — aborteerdenverleden tijd meervoud — geaborteerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | aborteer | aborteerde |
| jij | aborteert | aborteerde |
| hij, zij, het | aborteert | aborteerde |
| wij | aborteren | aborteerden |
| jullie | aborteren | aborteerden |
| zij | aborteren | aborteerden |
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| aborteer | gebiedende wijs |
| aborteerde | verleden tijd |
| abortere | aanvoegende wijs |
| aborterend | onvoltooid, deelwoord |
| er is geaborteerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was geaborteerd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd geaborteerd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt geaborteerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal geaborteerd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal geaborteerd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou geaborteerd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou geaborteerd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| geaborteerd | verleden tijd, deelwoord |
| geaborteerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geaborteerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had geaborteerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had geaborteerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had geaborteerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden geaborteerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden geaborteerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden geaborteerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt geaborteerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb geaborteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geaborteerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben geaborteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geaborteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben geaborteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt geaborteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geaborteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geaborteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te aborteren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben geaborteerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen aborteren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal aborteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal aborteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal aborteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal geaborteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geaborteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal geaborteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zou aborteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou aborteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou aborteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou geaborteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geaborteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geaborteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden aborteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden aborteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden aborteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden geaborteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geaborteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geaborteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt aborteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt geaborteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen aborteren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen aborteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen aborteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen aborteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen geaborteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geaborteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geaborteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult aborteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult geaborteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘een miskraam hebben of opwekken’ voor het eerst aangetroffen in 1650
Woordfamilie van aborteren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| aborteer | gebiedende wijs | aborteren |
| aborteerde | verleden tijd | aborteren |
| aborteerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | aborteren |
| aborteert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | aborteren |
| abortere | aanvoegende wijs | aborteren |
| aborterend | onvoltooid deelwoord | aborteren |
| aborterende | woordvorm | aborteren |
| geaborteerd | voltooid deelwoord | aborteren |
| geaborteerde | woordvorm | aborteren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van aborteren zijn vastgelegd.