Naar de inhoud

abdiceren

afstand doen van de troon, aftreden als vorst

abdiceren

werkwoord

Betekenis

  1. afstand doen van de troon, aftreden als vorst

Vervoeging van abdiceren

abdicerenhele werkwoord — abdiceerdeverleden tijd enkelvoud — abdiceerdenverleden tijd meervoud — geabdiceerdvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik abdiceer abdiceerde
jij abdiceert abdiceerde
hij, zij, het abdiceert abdiceerde
wij abdiceren abdiceerden
jullie abdiceren abdiceerden
zij abdiceren abdiceerden
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
abdiceer gebiedende wijs
abdiceerde verleden tijd
abdicere aanvoegende wijs
abdicerend onvoltooid, deelwoord
ev. gebiedende wijs
geabdiceerd verleden tijd, deelwoord
geabdiceerd te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
geabdiceerd zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
had geabdiceerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had geabdiceerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had geabdiceerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden geabdiceerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden geabdiceerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden geabdiceerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt geabdiceerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb geabdiceerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben geabdiceerd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben geabdiceerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben geabdiceerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben geabdiceerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt geabdiceerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft geabdiceerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft geabdiceerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te abdiceren actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te hebben geabdiceerd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen abdiceren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
zal abdiceren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal abdiceren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal abdiceren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal geabdiceerd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal geabdiceerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal geabdiceerd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zou abdiceren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou abdiceren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou abdiceren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou geabdiceerd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou geabdiceerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou geabdiceerd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden abdiceren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden abdiceren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden abdiceren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden geabdiceerd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden geabdiceerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden geabdiceerd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zoudt abdiceren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt geabdiceerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zullen abdiceren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen abdiceren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen abdiceren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen abdiceren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen geabdiceerd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen geabdiceerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen geabdiceerd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zult abdiceren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult geabdiceerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon

Herkomst

Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘troonsafstand doen’ voor het eerst aangetroffen in 1824

Woordfamilie van abdiceren

Woordvorm Relatie Afgeleid van
abdiceer gebiedende wijs abdiceren
abdiceerde verleden tijd abdiceren
abdiceerden aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon abdiceren
abdiceert aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon abdiceren
abdicere aanvoegende wijs abdiceren
abdicerend onvoltooid deelwoord abdiceren
abdicerende woordvorm abdiceren
geabdiceerd voltooid deelwoord abdiceren

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van abdiceren zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over abdiceren

Wat betekent abdiceren?
Abdiceren is een werkwoord. Het woord betekent: afstand doen van de troon, aftreden als vorst.
Hoe vervoeg je abdiceren?
Je vervoegt abdiceren als volgt: de tegenwoordige tijd is abdiceer, de verleden tijd is abdiceerde en het voltooid deelwoord is geabdiceerd. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord abdiceren is 17 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. A 1
  2. B 3
  3. D 2
  4. I 1
  5. C 5
  6. E 1
  7. R 2
  8. E 1
  9. N 1
  10. 17 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

abdiceren levert met Wordfeud minimaal 19 en maximaal 87 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. A 1
  2. B 4
  3. D 2
  4. I 2
  5. C 5
  6. E 1
  7. R 2
  8. E 1
  9. N 1
  10. 19 zonder bonus
  11. 87 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (C) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

abdiceren in het kort

abdiceren staat in dit woordenboek als werkwoord. Van abdiceren zijn 32 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort abdiceren bij een woordfamilie van 8 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

abdiceren: afstand doen van de troon, aftreden als vorst
Deel abdiceren — standaardnederlands.nl