Naar de inhoud

aanzwellen

toenemen in omvang, luidheid of intensiteit

aanzwellen

werkwoord

Betekenis

  1. toenemen in omvang, luidheid of intensiteit

Vervoeging van aanzwellen

aanzwellenhele werkwoord — zwol aanverleden tijd enkelvoud — zwollen aanverleden tijd meervoud — aangezwollenvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik zwel aan zwol aan
jij zwelt aan zwol aan
hij, zij, het zwelt aan zwol aan
wij zwellen aan zwollen aan
jullie zwellen aan zwollen aan
zij zwellen aan zwollen aan
Alle 76 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
aan te zullen zwellen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
aan te zwellen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
aan zal zwellen bijzin, toekomende tijd
aan zou zwellen bijzin, voorwaardelijk
aan zouden zwellen bijzin, voorwaardelijk
aan zoudt zwellen bijzin, voorwaardelijk
aan zullen zwellen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
aan zullen zwellen bijzin, toekomende tijd
aan zult zwellen bijzin, toekomende tijd
aangezwollen verleden tijd, deelwoord
aangezwollen te zullen zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
aangezwollen zullen zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
aanzwel bijzin, tegenwoordige tijd
aanzwellend onvoltooid, deelwoord
aanzwelt bijzin, tegenwoordige tijd
aanzwol bijzin, verleden tijd
aanzwollen bijzin, verleden tijd
aanzwolt bijzin, verleden tijd
ben aangezwollen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent aangezwollen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
ev. gebiedende wijs
is aangezwollen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is aangezwollen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te zijn aangezwollen actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen aanzwellen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart aangezwollen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren aangezwollen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren aangezwollen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren aangezwollen voltooid, verleden tijd, derde persoon
was aangezwollen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was aangezwollen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was aangezwollen voltooid, verleden tijd, derde persoon
zal aangezwollen zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal aangezwollen zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal aangezwollen zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal aanzwellen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal aanzwellen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal aanzwellen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal aanzwellen bijzin, toekomende tijd
zijn aangezwollen actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
zijn aangezwollen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn aangezwollen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn aangezwollen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt aangezwollen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou aangezwollen zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou aangezwollen zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou aangezwollen zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou aanzwellen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou aanzwellen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou aanzwellen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou aanzwellen bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) aanzwellen aan zou(dt) zwellen bijzin, voorwaardelijk
zouden aangezwollen zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden aangezwollen zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden aangezwollen zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden aanzwellen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden aanzwellen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden aanzwellen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden aanzwellen bijzin, voorwaardelijk
zoudt aangezwollen zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt aanzwellen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt aanzwellen bijzin, voorwaardelijk
zullen aangezwollen zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen aangezwollen zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen aangezwollen zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen aanzwellen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen aanzwellen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen aanzwellen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen aanzwellen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen aanzwellen bijzin, toekomende tijd
zult aangezwollen zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult aanzwellen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult aanzwellen bijzin, toekomende tijd
zult/zal aanzwellen aan zult/zal zwellen bijzin, toekomende tijd
zwel aan gebiedende wijs
zwol aan verleden tijd

Herkomst

samenstelling van aan en zwellen

Woordfamilie van aanzwellen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
aangezwollen voltooid deelwoord aanzwellen
aanzwel subordinate-clause, tegenwoordige tijd aanzwellen
aanzwelle with-subordinate-clause aanzwellen
aanzwelt subordinate-clause, tegenwoordige tijd aanzwellen
aanzwol subordinate-clause, verleden tijd aanzwellen
aanzwollen subordinate-clause, verleden tijd aanzwellen
zwel aan gebiedende wijs aanzwellen
zwelle aan woordvorm aanzwellen
zwellen aan aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon aanzwellen
zwelt aan aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon aanzwellen
zwol aan verleden tijd aanzwellen
zwollen aan aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon aanzwellen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van aanzwellen zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over aanzwellen

Wat is de betekenis van aanzwellen?
Aanzwellen is een werkwoord. De betekenis is: toenemen in omvang, luidheid of intensiteit.
Hoe vervoeg ik aanzwellen?
Zo vervoeg je aanzwellen zo: het voltooid deelwoord is aangezwollen. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord aanzwellen is 21 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. A 1
  2. A 1
  3. N 1
  4. Z 4
  5. W 5
  6. E 1
  7. L 3
  8. L 3
  9. E 1
  10. N 1
  11. 21 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

aanzwellen levert met Wordfeud minimaal 22 en maximaal 96 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. A 1
  2. A 1
  3. N 1
  4. Z 5
  5. W 5
  6. E 1
  7. L 3
  8. L 3
  9. E 1
  10. N 1
  11. 22 zonder bonus
  12. 96 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (Z) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

aanzwellen in het kort

aanzwellen staat in dit woordenboek als werkwoord. Van aanzwellen staan er 48 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort aanzwellen bij een woordfamilie van 12 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

aanzwellen: toenemen in omvang, luidheid of intensiteit
Deel aanzwellen — standaardnederlands.nl