aanzitten
werkwoordBetekenis
- ~ aan: aan de maaltijd zitten.
- aanraken, de handen leggen op iets.
Vervoeging van aanzitten
aanzittenhele werkwoord — zat aanverleden tijd enkelvoud — zaten aanverleden tijd meervoud — aangezetenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | zit aan | zat aan |
| jij | zit aan | zat aan |
| hij, zij, het | zit aan | zat aan |
| wij | zitten aan | zaten aan |
| jullie | zitten aan | zaten aan |
| zij | zitten aan | zaten aan |
Alle 74 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| aan te zitten | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| aan te zullen zitten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| aan zal zitten | bijzin, toekomende tijd |
| aan zou zitten | bijzin, voorwaardelijk |
| aan zouden zitten | bijzin, voorwaardelijk |
| aan zoudt zitten | bijzin, voorwaardelijk |
| aan zullen zitten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| aan zullen zitten | bijzin, toekomende tijd |
| aan zult zitten | bijzin, toekomende tijd |
| aangezeten | verleden tijd, deelwoord |
| aangezeten te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| aangezeten zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| aanzat | bijzin, verleden tijd |
| aanzaten | bijzin, verleden tijd |
| aanzit | bijzin, tegenwoordige tijd |
| aanzittend | onvoltooid, deelwoord |
| ev. | gebiedende wijs |
| had aangezeten | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had aangezeten | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had aangezeten | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden aangezeten | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden aangezeten | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden aangezeten | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt aangezeten | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb aangezeten | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben aangezeten | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben aangezeten | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben aangezeten | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben aangezeten | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt aangezeten | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft aangezeten | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft aangezeten | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben aangezeten | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen aanzitten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal aangezeten hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal aangezeten hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal aangezeten hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal aanzitten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal aanzitten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal aanzitten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal aanzitten | bijzin, toekomende tijd |
| zat aan | verleden tijd |
| zit aan | gebiedende wijs |
| zou aangezeten hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou aangezeten hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou aangezeten hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou aanzitten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou aanzitten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou aanzitten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou aanzitten | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) aanzitten aan zou(dt) zitten | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden aangezeten hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden aangezeten hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden aangezeten hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden aanzitten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden aanzitten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden aanzitten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden aanzitten | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt aangezeten hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt aanzitten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt aanzitten | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen aangezeten hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen aangezeten hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen aangezeten hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen aanzitten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen aanzitten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen aanzitten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen aanzitten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen aanzitten | bijzin, toekomende tijd |
| zult aangezeten hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult aanzitten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult aanzitten | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal aanzitten aan zult/zal zitten | bijzin, toekomende tijd |
| áánzitten | canonical |
Herkomst
samenstelling van aan vz en zitten ww
Woordfamilie van aanzitten
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| aangezeten | voltooid deelwoord | aanzitten |
| aanzat | subordinate-clause, verleden tijd | aanzitten |
| aanzaten | subordinate-clause, verleden tijd | aanzitten |
| aanzit | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | aanzitten |
| aanzitte | with-subordinate-clause | aanzitten |
| aanzittend | onvoltooid deelwoord | aanzitten |
| aanzittende | woordvorm | aanzitten |
| zat aan | verleden tijd | aanzitten |
| zaten aan | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | aanzitten |
| zit aan | gebiedende wijs | aanzitten |
| zitte aan | woordvorm | aanzitten |
| zitten aan | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | aanzitten |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van aanzitten zijn vastgelegd.