aanwippen
werkwoord ˈaɱwɪpə(n)Betekenis
- kort bezoeken
Hoe spreek je aanwippen uit?
/ˈamwɪpən/
Aanwippen bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| a | maan |
| m | maan |
| w | quiz |
| ɪ | pit |
| p | pak |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van aanwippen
aanwippenhele werkwoord — wipte aanverleden tijd enkelvoud — wipten aanverleden tijd meervoud — aangewiptvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | wip aan | wipte aan |
| jij | wipt aan | wipte aan |
| hij, zij, het | wipt aan | wipte aan |
| wij | wippen aan | wipten aan |
| jullie | wippen aan | wipten aan |
| zij | wippen aan | wipten aan |
Alle 75 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| aan te wippen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| aan te zullen wippen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| aan zal wippen | bijzin, toekomende tijd |
| aan zou wippen | bijzin, voorwaardelijk |
| aan zouden wippen | bijzin, voorwaardelijk |
| aan zoudt wippen | bijzin, voorwaardelijk |
| aan zullen wippen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| aan zullen wippen | bijzin, toekomende tijd |
| aan zult wippen | bijzin, toekomende tijd |
| aangewipt | verleden tijd, deelwoord |
| aangewipt te zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| aangewipt zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| aanwip | bijzin, tegenwoordige tijd |
| aanwippend | onvoltooid, deelwoord |
| aanwipt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| aanwipte | bijzin, verleden tijd |
| aanwipten | bijzin, verleden tijd |
| ben aangewipt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent aangewipt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| ev. | gebiedende wijs |
| is aangewipt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is aangewipt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te zijn aangewipt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen aanwippen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart aangewipt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren aangewipt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren aangewipt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren aangewipt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was aangewipt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was aangewipt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was aangewipt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| wip aan | gebiedende wijs |
| wipte aan | verleden tijd |
| zal aangewipt zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal aangewipt zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal aangewipt zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal aanwippen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal aanwippen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal aanwippen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal aanwippen | bijzin, toekomende tijd |
| zijn aangewipt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| zijn aangewipt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn aangewipt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn aangewipt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt aangewipt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou aangewipt zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou aangewipt zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou aangewipt zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou aanwippen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou aanwippen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou aanwippen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou aanwippen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) aanwippen aan zou(dt) wippen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden aangewipt zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden aangewipt zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden aangewipt zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden aanwippen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden aanwippen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden aanwippen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden aanwippen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt aangewipt zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt aanwippen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt aanwippen | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen aangewipt zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen aangewipt zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen aangewipt zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen aanwippen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen aanwippen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen aanwippen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen aanwippen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen aanwippen | bijzin, toekomende tijd |
| zult aangewipt zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult aanwippen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult aanwippen | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal aanwippen aan zult/zal wippen | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van aan vz en wippen ww
Woordfamilie van aanwippen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| aangewipt | voltooid deelwoord | aanwippen |
| aangewipte | woordvorm | aanwippen |
| aanwip | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | aanwippen |
| aanwippe | with-subordinate-clause | aanwippen |
| aanwippend | onvoltooid deelwoord | aanwippen |
| aanwippende | woordvorm | aanwippen |
| aanwipt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | aanwippen |
| aanwipte | subordinate-clause, verleden tijd | aanwippen |
| aanwipten | subordinate-clause, verleden tijd | aanwippen |
| wip aan | gebiedende wijs | aanwippen |
| wippe aan | woordvorm | aanwippen |
| wippen aan | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | aanwippen |
| wipt aan | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | aanwippen |
| wipte aan | verleden tijd | aanwippen |
| wipten aan | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | aanwippen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van aanwippen zijn vastgelegd.