Naar de inhoud

aanwassen

toenemen, aangroeien

aanwassen is meer dan één woord

aanwassen

werkwoord, zelfstandig naamwoord ˈaɱwɑsə(n)

Betekenis

  1. toenemen, aangroeien

Hoe spreek je aanwassen uit?

/ˈamwɑsən/

Aanwassen bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.

De tekens in /ˈamwɑsən/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
a maan
m maan
w quiz
ɑ bad
s sok
ə de
n nek
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint

Vervoeging van aanwassen

aanwassenhele werkwoord — wies aanverleden tijd enkelvoud — wiesen aanverleden tijd meervoud — aangewassenvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik was aan wies aan
jij wast aan wies aan
hij, zij, het wast aan wies aan
wij wassen aan wiesen aan
jullie wassen aan wiesen aan
zij wassen aan wiesen aan
Alle 76 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
aan te wassen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
aan te zullen wassen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
aan zal wassen bijzin, toekomende tijd
aan zou wassen bijzin, voorwaardelijk
aan zouden wassen bijzin, voorwaardelijk
aan zoudt wassen bijzin, voorwaardelijk
aan zullen wassen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
aan zullen wassen bijzin, toekomende tijd
aan zult wassen bijzin, toekomende tijd
aangewassen verleden tijd, deelwoord
aangewassen te zullen zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
aangewassen zullen zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
aanwas bijzin, tegenwoordige tijd
aanwassend onvoltooid, deelwoord
aanwast bijzin, tegenwoordige tijd
aanwies bijzin, verleden tijd
aanwiesen bijzin, verleden tijd
aanwiest bijzin, verleden tijd
ben aangewassen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent aangewassen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
ev. gebiedende wijs
is aangewassen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is aangewassen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te zijn aangewassen actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen aanwassen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart aangewassen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren aangewassen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren aangewassen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren aangewassen voltooid, verleden tijd, derde persoon
was aan gebiedende wijs
was aangewassen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was aangewassen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was aangewassen voltooid, verleden tijd, derde persoon
wies aan verleden tijd
zal aangewassen zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal aangewassen zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal aangewassen zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal aanwassen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal aanwassen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal aanwassen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal aanwassen bijzin, toekomende tijd
zijn aangewassen actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
zijn aangewassen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn aangewassen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn aangewassen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt aangewassen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou aangewassen zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou aangewassen zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou aangewassen zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou aanwassen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou aanwassen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou aanwassen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou aanwassen bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) aanwassen aan zou(dt) wassen bijzin, voorwaardelijk
zouden aangewassen zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden aangewassen zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden aangewassen zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden aanwassen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden aanwassen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden aanwassen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden aanwassen bijzin, voorwaardelijk
zoudt aangewassen zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt aanwassen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt aanwassen bijzin, voorwaardelijk
zullen aangewassen zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen aangewassen zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen aangewassen zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen aanwassen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen aanwassen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen aanwassen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen aanwassen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen aanwassen bijzin, toekomende tijd
zult aangewassen zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult aanwassen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult aanwassen bijzin, toekomende tijd
zult/zal aanwassen aan zult/zal wassen bijzin, toekomende tijd

Woordvorm

  • meervoud van het zelfstandig naamwoord aanwas

Herkomst

samenstelling van aan vz en wassen ww

Woordfamilie van aanwassen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
aangewassen voltooid deelwoord aanwassen
aanwasse with-subordinate-clause aanwassen
aanwassend onvoltooid deelwoord aanwassen
aanwassende woordvorm aanwassen
aanwast subordinate-clause, tegenwoordige tijd aanwassen
aanwies subordinate-clause, verleden tijd aanwassen
aanwiesen subordinate-clause, verleden tijd aanwassen
was aan gebiedende wijs aanwassen
wasse aan woordvorm aanwassen
wassen aan aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon aanwassen
wast aan aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon aanwassen
wies aan verleden tijd aanwassen
wiesen aan aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon aanwassen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van aanwassen zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over aanwassen

Hoe spreek ik aanwassen uit?
Zo spreek je aanwassen uit: /ˈaɱwɑsə(n)/. Dat is de weergave in het internationaal fonetisch alfabet, waarin elke klank een eigen teken heeft. Het streepje ˈ markeert de klemtoon: die ligt op de eerste lettergreep.
Wat is de betekenis van aanwassen?
Aanwassen is een werkwoord. De betekenis is: toenemen, aangroeien.
Hoe vervoeg ik aanwassen?
Zo vervoeg je aanwassen zo: het voltooid deelwoord is aangewassen. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord aanwassen is 15 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. A 1
  2. A 1
  3. N 1
  4. W 5
  5. A 1
  6. S 2
  7. S 2
  8. E 1
  9. N 1
  10. 15 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

aanwassen levert met Wordfeud minimaal 15 en maximaal 75 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. A 1
  2. A 1
  3. N 1
  4. W 5
  5. A 1
  6. S 2
  7. S 2
  8. E 1
  9. N 1
  10. 15 zonder bonus
  11. 75 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (W) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

aanwassen in het kort

aanwassen is zowel werkwoord als zelfstandig naamwoord. Wat het is, hangt af van de zin. Van aanwassen staan er 48 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort aanwassen bij een woordfamilie van 13 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

aanwassen: toenemen, aangroeien
Deel aanwassen — standaardnederlands.nl