aanvuren
werkwoord ˈaɱvyrə(n)Betekenis
- aanwakkeren
Hoe spreek je aanvuren uit?
/ˈamvyrən/
Aanvuren bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| a | maan |
| m | maan |
| v | vis |
| y | fuut |
| r | rood |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van aanvuren
aanvurenhele werkwoord — vuurde aanverleden tijd enkelvoud — vuurden aanverleden tijd meervoud — aangevuurdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | vuur aan | vuurde aan |
| jij | vuurt aan | vuurde aan |
| hij, zij, het | vuurt aan | vuurde aan |
| wij | vuren aan | vuurden aan |
| jullie | vuren aan | vuurden aan |
| zij | vuren aan | vuurden aan |
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| aan te vuren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| aan te zullen vuren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| aan zal vuren | bijzin, toekomende tijd |
| aan zou vuren | bijzin, voorwaardelijk |
| aan zouden vuren | bijzin, voorwaardelijk |
| aan zoudt vuren | bijzin, voorwaardelijk |
| aan zullen vuren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| aan zullen vuren | bijzin, toekomende tijd |
| aan zult vuren | bijzin, toekomende tijd |
| aangevuurd | verleden tijd, deelwoord |
| aangevuurd te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| aangevuurd te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| aangevuurd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| aangevuurd te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| aangevuurd te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| aangevuurd worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| aangevuurd zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| aangevuurd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| aangevuurd zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| aangevuurd zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| aanvurend | onvoltooid, deelwoord |
| aanvuur | bijzin, tegenwoordige tijd |
| aanvuurde | bijzin, verleden tijd |
| aanvuurden | bijzin, verleden tijd |
| aanvuurt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| ben aangevuurd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent aangevuurd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is aangevuurd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was aangevuurd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd aangevuurd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt aangevuurd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal aangevuurd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal aangevuurd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou aangevuurd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou aangevuurd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had aangevuurd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had aangevuurd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had aangevuurd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden aangevuurd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden aangevuurd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden aangevuurd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt aangevuurd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb aangevuurd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben aangevuurd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben aangevuurd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben aangevuurd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben aangevuurd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt aangevuurd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft aangevuurd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft aangevuurd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is aangevuurd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is aangevuurd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben aangevuurd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen aanvuren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| vuur aan | gebiedende wijs |
| vuurde aan | verleden tijd |
| waart aangevuurd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren aangevuurd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren aangevuurd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren aangevuurd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was aangevuurd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was aangevuurd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was aangevuurd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd aangevuurd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd aangevuurd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd aangevuurd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden aangevuurd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden aangevuurd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden aangevuurd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt aangevuurd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word aangevuurd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden aangevuurd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden aangevuurd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden aangevuurd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt aangevuurd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt aangevuurd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal aangevuurd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal aangevuurd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal aangevuurd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal aangevuurd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal aangevuurd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal aangevuurd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal aangevuurd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal aanvuren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal aanvuren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal aanvuren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal aanvuren | bijzin, toekomende tijd |
| zijn aangevuurd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn aangevuurd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn aangevuurd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt aangevuurd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou aangevuurd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou aangevuurd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou aangevuurd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou aangevuurd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou aangevuurd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou aangevuurd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou aangevuurd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou aangevuurd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou aangevuurd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou aanvuren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou aanvuren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou aanvuren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou aanvuren | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) aanvuren aan zou(dt) vuren | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden aangevuurd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden aangevuurd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden aangevuurd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden aangevuurd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden aangevuurd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden aangevuurd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden aangevuurd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden aangevuurd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden aangevuurd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden aanvuren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden aanvuren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden aanvuren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden aanvuren | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt aangevuurd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt aangevuurd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt aangevuurd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt aanvuren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt aanvuren | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen aangevuurd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen aangevuurd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen aangevuurd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen aangevuurd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen aangevuurd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen aangevuurd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen aangevuurd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen aangevuurd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen aangevuurd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen aanvuren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen aanvuren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen aanvuren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen aanvuren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen aanvuren | bijzin, toekomende tijd |
| zult aangevuurd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
samenstelling van aan vz en vuren ww
Woordfamilie van aanvuren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| aangevuurd | voltooid deelwoord | aanvuren |
| aangevuurde | woordvorm | aanvuren |
| aanvure | with-subordinate-clause | aanvuren |
| aanvurend | onvoltooid deelwoord | aanvuren |
| aanvurende | woordvorm | aanvuren |
| aanvuur | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | aanvuren |
| aanvuurde | subordinate-clause, verleden tijd | aanvuren |
| aanvuurden | subordinate-clause, verleden tijd | aanvuren |
| aanvuurt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | aanvuren |
| vure aan | woordvorm | aanvuren |
| vuren aan | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | aanvuren |
| vuur aan | gebiedende wijs | aanvuren |
| vuurde aan | verleden tijd | aanvuren |
| vuurden aan | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | aanvuren |
| vuurt aan | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | aanvuren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van aanvuren zijn vastgelegd.