aanvijlen
werkwoordBetekenis
- een product afmaken door het te vijlen
- met grote spoed vijlen
Vervoeging van aanvijlen
aanvijlenhele werkwoord — vijlde aanverleden tijd enkelvoud — vijlden aanverleden tijd meervoud — aangevijldvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | vijl aan | vijlde aan |
| jij | vijlt aan | vijlde aan |
| hij, zij, het | vijlt aan | vijlde aan |
| wij | vijlen aan | vijlden aan |
| jullie | vijlen aan | vijlden aan |
| zij | vijlen aan | vijlden aan |
Alle 74 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| aan te vijlen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| aan te zullen vijlen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| aan zal vijlen | bijzin, toekomende tijd |
| aan zou vijlen | bijzin, voorwaardelijk |
| aan zouden vijlen | bijzin, voorwaardelijk |
| aan zoudt vijlen | bijzin, voorwaardelijk |
| aan zullen vijlen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| aan zullen vijlen | bijzin, toekomende tijd |
| aan zult vijlen | bijzin, toekomende tijd |
| aangevijld | verleden tijd, deelwoord |
| aangevijld te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| aangevijld zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| aanvijl | bijzin, tegenwoordige tijd |
| aanvijlde | bijzin, verleden tijd |
| aanvijlden | bijzin, verleden tijd |
| aanvijlend | onvoltooid, deelwoord |
| aanvijlt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| ev. | gebiedende wijs |
| had aangevijld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had aangevijld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had aangevijld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden aangevijld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden aangevijld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden aangevijld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt aangevijld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb aangevijld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben aangevijld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben aangevijld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben aangevijld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben aangevijld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt aangevijld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft aangevijld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft aangevijld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben aangevijld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen aanvijlen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| vijl aan | gebiedende wijs |
| vijlde aan | verleden tijd |
| zal aangevijld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal aangevijld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal aangevijld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal aanvijlen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal aanvijlen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal aanvijlen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal aanvijlen | bijzin, toekomende tijd |
| zou aangevijld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou aangevijld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou aangevijld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou aanvijlen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou aanvijlen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou aanvijlen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou aanvijlen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) aanvijlen aan zou(dt) vijlen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden aangevijld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden aangevijld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden aangevijld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden aanvijlen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden aanvijlen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden aanvijlen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden aanvijlen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt aangevijld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt aanvijlen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt aanvijlen | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen aangevijld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen aangevijld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen aangevijld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen aanvijlen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen aanvijlen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen aanvijlen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen aanvijlen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen aanvijlen | bijzin, toekomende tijd |
| zult aangevijld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult aanvijlen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult aanvijlen | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal aanvijlen aan zult/zal vijlen | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van aan bw en vijlen ww
Woordfamilie van aanvijlen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| aangevijld | voltooid deelwoord | aanvijlen |
| aanvijlde | subordinate-clause, verleden tijd | aanvijlen |
| aanvijlden | subordinate-clause, verleden tijd | aanvijlen |
| aanvijle | with-subordinate-clause | aanvijlen |
| aanvijlend | onvoltooid deelwoord | aanvijlen |
| aanvijlende | woordvorm | aanvijlen |
| aanvijlt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | aanvijlen |
| vijl aan | gebiedende wijs | aanvijlen |
| vijlde aan | verleden tijd | aanvijlen |
| vijlden aan | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | aanvijlen |
| vijle aan | woordvorm | aanvijlen |
| vijlen aan | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | aanvijlen |
| vijlt aan | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | aanvijlen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van aanvijlen zijn vastgelegd.