aanstoot
zelfstandig naamwoord, werkwoord ˈanstotBetekenis
- een ergernis veroorzaken, zich aan iets ergeren
- een botsing, of iets met een bruuske beweging een zetje geven
Hoe spreek je aanstoot uit?
/ˈanstot/
Aanstoot bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| a | maan |
| n | nek |
| s | sok |
| t | tak |
| o | boot |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Klinkt hetzelfde als aanstoof.
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| aanstootje | verkleinwoord, enkelvoud |
| aanstootjes | verkleinwoord, meervoud |
| aanstoten | meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van aanstoten
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van aanstoten
- derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van aanstoten
Vervoeging van aanstoot
aanstoothele werkwoord
Herkomst
Naamwoord van handeling van aanstoten
Woordfamilie van aanstoot
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| aanstootje | verkleinwoord | aanstoot |
| aanstootjes | verkleinwoord meervoud | aanstoot |
| aanstoots | masculine | aanstoot |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van aanstoot zijn vastgelegd.