aansnijden
werkwoord ˈansnɛidə(n)Betekenis
- het eerste stuk er afsnijden
- over iets beginnen
- de bal met de binnen- of buitenkant van de voet naar een medespeler schieten
Hoe spreek je aansnijden uit?
/ˈansnɛidən/
Aansnijden bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| a | maan |
| n | nek |
| s | sok |
| ɛi | trein |
| d | dak |
| ə | de |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van aansnijden
aansnijdenhele werkwoord — sneed aanverleden tijd enkelvoud — sneden aanverleden tijd meervoud — aangesnedenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | snij aan | sneed aan |
| jij | snijdt aan | sneed aan |
| hij, zij, het | snijdt aan | sneed aan |
| wij | snijden aan | sneden aan |
| jullie | snijden aan | sneden aan |
| zij | snijden aan | sneden aan |
Alle 146 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| aan te snijden | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| aan te zullen snijden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| aan zal snijden | bijzin, toekomende tijd |
| aan zou snijden | bijzin, voorwaardelijk |
| aan zouden snijden | bijzin, voorwaardelijk |
| aan zoudt snijden | bijzin, voorwaardelijk |
| aan zullen snijden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| aan zullen snijden | bijzin, toekomende tijd |
| aan zult snijden | bijzin, toekomende tijd |
| aangesneden | verleden tijd, deelwoord |
| aangesneden te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| aangesneden te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| aangesneden te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| aangesneden te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| aangesneden te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| aangesneden worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| aangesneden zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| aangesneden zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| aangesneden zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| aangesneden zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| aansneden | bijzin, verleden tijd |
| aansneed | bijzin, verleden tijd |
| aansneedt | bijzin, verleden tijd |
| aansnij | bijzin, tegenwoordige tijd |
| aansnijd | bijzin, tegenwoordige tijd |
| aansnijdend | onvoltooid, deelwoord |
| aansnijdt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| ben aangesneden | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent aangesneden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is aangesneden | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was aangesneden | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd aangesneden | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt aangesneden | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal aangesneden worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal aangesneden zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou aangesneden worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou aangesneden zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. snij aan/ snijd aan | gebiedende wijs |
| had aangesneden | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had aangesneden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had aangesneden | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden aangesneden | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden aangesneden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden aangesneden | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt aangesneden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb aangesneden | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben aangesneden | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben aangesneden | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben aangesneden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben aangesneden | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt aangesneden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft aangesneden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft aangesneden | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is aangesneden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is aangesneden | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| sneed aan | verleden tijd |
| te hebben aangesneden | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen aansnijden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart aangesneden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren aangesneden | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren aangesneden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren aangesneden | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was aangesneden | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was aangesneden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was aangesneden | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd aangesneden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd aangesneden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd aangesneden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden aangesneden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden aangesneden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden aangesneden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt aangesneden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word aangesneden | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden aangesneden | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden aangesneden | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden aangesneden | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt aangesneden | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt aangesneden | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal aangesneden hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal aangesneden hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal aangesneden hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal aangesneden worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal aangesneden worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal aangesneden zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal aangesneden zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal aansnijden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal aansnijden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal aansnijden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal aansnijden | bijzin, toekomende tijd |
| zijn aangesneden | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn aangesneden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn aangesneden | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt aangesneden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou aangesneden hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou aangesneden hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou aangesneden hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou aangesneden worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou aangesneden worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou aangesneden worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou aangesneden zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou aangesneden zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou aangesneden zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou aansnijden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou aansnijden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou aansnijden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou aansnijden | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) aansnijden aan zou(dt) snijden | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden aangesneden hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden aangesneden hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden aangesneden hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden aangesneden worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden aangesneden worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden aangesneden worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden aangesneden zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden aangesneden zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden aangesneden zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden aansnijden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden aansnijden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden aansnijden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden aansnijden | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt aangesneden hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt aangesneden worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt aangesneden zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt aansnijden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt aansnijden | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen aangesneden hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen aangesneden hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen aangesneden hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen aangesneden worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen aangesneden worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen aangesneden worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen aangesneden zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen aangesneden zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen aangesneden zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen aansnijden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen aansnijden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen aansnijden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen aansnijden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen aansnijden | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van aan vz en snijden ww
Woordfamilie van aansnijden
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| aangesneden | voltooid deelwoord | aansnijden |
| aansneed | subordinate-clause, verleden tijd | aansnijden |
| aansnij | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | aansnijden |
| aansnijd | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | aansnijden |
| aansnijde | with-subordinate-clause | aansnijden |
| aansnijdend | onvoltooid deelwoord | aansnijden |
| aansnijdende | woordvorm | aansnijden |
| aansnijdt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | aansnijden |
| sneden aan | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | aansnijden |
| sneed aan | verleden tijd | aansnijden |
| snij aan | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 1e persoon | aansnijden |
| snijd aan | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 1e persoon | aansnijden |
| snijde aan | woordvorm | aansnijden |
| snijden aan | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | aansnijden |
| snijdt aan | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | aansnijden |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van aansnijden zijn vastgelegd.