Naar de inhoud

aanreiken

overreiken, iemand iets aangeven waarbij je je moet uitrekken

aanreiken

werkwoord ˈanrɛikə(n)

Betekenis

  1. overreiken, iemand iets aangeven waarbij je je moet uitrekken

Hoe spreek je aanreiken uit?

/ˈanrɛikən/

Aanreiken bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.

De tekens in /ˈanrɛikən/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
a maan
n nek
r rood
ɛi trein
k kat
ə de
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint

Vervoeging van aanreiken

aanreikenhele werkwoord — reikte aanverleden tijd enkelvoud — reikten aanverleden tijd meervoud — aangereiktvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik reik aan reikte aan
jij reikt aan reikte aan
hij, zij, het reikt aan reikte aan
wij reiken aan reikten aan
jullie reiken aan reikten aan
zij reiken aan reikten aan
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
aan te reiken actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
aan te zullen reiken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
aan zal reiken bijzin, toekomende tijd
aan zou reiken bijzin, voorwaardelijk
aan zouden reiken bijzin, voorwaardelijk
aan zoudt reiken bijzin, voorwaardelijk
aan zullen reiken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
aan zullen reiken bijzin, toekomende tijd
aan zult reiken bijzin, toekomende tijd
aangereikt verleden tijd, deelwoord
aangereikt te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
aangereikt te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
aangereikt te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
aangereikt te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
aangereikt te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
aangereikt worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
aangereikt zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
aangereikt zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
aangereikt zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
aangereikt zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
aanreik bijzin, tegenwoordige tijd
aanreikend onvoltooid, deelwoord
aanreikt bijzin, tegenwoordige tijd
aanreikte bijzin, verleden tijd
aanreikten bijzin, verleden tijd
ben aangereikt voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent aangereikt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is aangereikt impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was aangereikt impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd aangereikt impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt aangereikt impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal aangereikt worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal aangereikt zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou aangereikt worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou aangereikt zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had aangereikt voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had aangereikt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had aangereikt voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden aangereikt voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden aangereikt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden aangereikt voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt aangereikt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb aangereikt voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben aangereikt actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben aangereikt voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben aangereikt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben aangereikt voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt aangereikt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft aangereikt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft aangereikt voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is aangereikt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is aangereikt voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
reik aan gebiedende wijs
reikte aan verleden tijd
te hebben aangereikt actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen aanreiken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart aangereikt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren aangereikt voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren aangereikt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren aangereikt voltooid, verleden tijd, derde persoon
was aangereikt voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was aangereikt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was aangereikt voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd aangereikt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd aangereikt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd aangereikt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden aangereikt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden aangereikt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden aangereikt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt aangereikt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word aangereikt enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden aangereikt enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden aangereikt enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden aangereikt enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt aangereikt enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt aangereikt enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal aangereikt hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal aangereikt hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal aangereikt hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal aangereikt worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal aangereikt worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal aangereikt zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal aangereikt zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal aanreiken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal aanreiken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal aanreiken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal aanreiken bijzin, toekomende tijd
zijn aangereikt voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn aangereikt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn aangereikt voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt aangereikt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou aangereikt hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou aangereikt hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou aangereikt hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou aangereikt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou aangereikt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou aangereikt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou aangereikt zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou aangereikt zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou aangereikt zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou aanreiken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou aanreiken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou aanreiken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou aanreiken bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) aanreiken aan zou(dt) reiken bijzin, voorwaardelijk
zouden aangereikt hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden aangereikt hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden aangereikt hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden aangereikt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden aangereikt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden aangereikt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden aangereikt zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden aangereikt zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden aangereikt zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden aanreiken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden aanreiken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden aanreiken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden aanreiken bijzin, voorwaardelijk
zoudt aangereikt hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt aangereikt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt aangereikt zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt aanreiken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt aanreiken bijzin, voorwaardelijk
zullen aangereikt hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen aangereikt hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen aangereikt hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen aangereikt worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen aangereikt worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen aangereikt worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen aangereikt zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen aangereikt zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen aangereikt zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen aanreiken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen aanreiken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen aanreiken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen aanreiken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen aanreiken bijzin, toekomende tijd
zult aangereikt hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon

Herkomst

samenstelling van aan vz en reiken ww

Woordfamilie van aanreiken

Woordvorm Relatie Afgeleid van
aangereikt voltooid deelwoord aanreiken
aangereikte woordvorm aanreiken
aanreik subordinate-clause, tegenwoordige tijd aanreiken
aanreike with-subordinate-clause aanreiken
aanreikend onvoltooid deelwoord aanreiken
aanreikende woordvorm aanreiken
aanreikt subordinate-clause, tegenwoordige tijd aanreiken
aanreikte subordinate-clause, verleden tijd aanreiken
aanreikten subordinate-clause, verleden tijd aanreiken
reik aan gebiedende wijs aanreiken
reike aan woordvorm aanreiken
reiken aan aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon aanreiken
reikt aan aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon aanreiken
reikte aan verleden tijd aanreiken
reikten aan aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon aanreiken

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van aanreiken zijn vastgelegd.

Afleidingen en samenstellingen

Veelgestelde vragen over aanreiken

Hoe spreek ik aanreiken uit?
Zo spreek je aanreiken uit: /ˈanrɛikə(n)/. Dat is de weergave in het internationaal fonetisch alfabet, waarin elke klank een eigen teken heeft. Het streepje ˈ markeert de klemtoon: die ligt op de eerste lettergreep.
Wat is de betekenis van aanreiken?
Aanreiken is een werkwoord. De betekenis is: overreiken, iemand iets aangeven waarbij je je moet uitrekken.
Hoe vervoeg ik aanreiken?
Zo vervoeg je aanreiken zo: het voltooid deelwoord is aangereikt. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord aanreiken is 12 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. A 1
  2. A 1
  3. N 1
  4. R 2
  5. E 1
  6. I 1
  7. K 3
  8. E 1
  9. N 1
  10. 12 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

aanreiken levert met Wordfeud minimaal 13 en maximaal 57 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. A 1
  2. A 1
  3. N 1
  4. R 2
  5. E 1
  6. I 2
  7. K 3
  8. E 1
  9. N 1
  10. 13 zonder bonus
  11. 57 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (K) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

aanreiken in het kort

aanreiken staat in dit woordenboek als werkwoord. Van aanreiken staan er 88 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort aanreiken bij een woordfamilie van 15 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

aanreiken: overreiken, iemand iets aangeven waarbij je je moet uitrekken
Deel aanreiken — standaardnederlands.nl