aanpunten
werkwoord ˈampʏntə(n)Betekenis
- een punt maken aan
- ter sprake brengen, als punt op de agenda zetten
Hoe spreek je aanpunten uit?
/ˈampʏntən/
Aanpunten bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| a | maan |
| m | maan |
| p | pak |
| ʏ | put |
| n | nek |
| t | tak |
| ə | de |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Klinkt hetzelfde als aanpuntten.
Vervoeging van aanpunten
aanpuntenhele werkwoord — puntte aanverleden tijd enkelvoud — puntten aanverleden tijd meervoud — aangepuntvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | punt aan | puntte aan |
| jij | punt aan | puntte aan |
| hij, zij, het | punt aan | puntte aan |
| wij | punten aan | puntten aan |
| jullie | punten aan | puntten aan |
| zij | punten aan | puntten aan |
Alle 144 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| aan te punten | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| aan te zullen punten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| aan zal punten | bijzin, toekomende tijd |
| aan zou punten | bijzin, voorwaardelijk |
| aan zouden punten | bijzin, voorwaardelijk |
| aan zoudt punten | bijzin, voorwaardelijk |
| aan zullen punten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| aan zullen punten | bijzin, toekomende tijd |
| aan zult punten | bijzin, toekomende tijd |
| aangepunt | verleden tijd, deelwoord |
| aangepunt te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| aangepunt te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| aangepunt te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| aangepunt te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| aangepunt te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| aangepunt worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| aangepunt zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| aangepunt zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| aangepunt zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| aangepunt zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| aanpunt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| aanpuntend | onvoltooid, deelwoord |
| aanpuntte | bijzin, verleden tijd |
| aanpuntten | bijzin, verleden tijd |
| ben aangepunt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent aangepunt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is aangepunt | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was aangepunt | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd aangepunt | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt aangepunt | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal aangepunt worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal aangepunt zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou aangepunt worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou aangepunt zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had aangepunt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had aangepunt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had aangepunt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden aangepunt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden aangepunt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden aangepunt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt aangepunt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb aangepunt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben aangepunt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben aangepunt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben aangepunt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben aangepunt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt aangepunt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft aangepunt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft aangepunt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is aangepunt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is aangepunt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| punt aan | gebiedende wijs |
| puntte aan | verleden tijd |
| te hebben aangepunt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen aanpunten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart aangepunt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren aangepunt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren aangepunt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren aangepunt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was aangepunt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was aangepunt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was aangepunt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd aangepunt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd aangepunt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd aangepunt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden aangepunt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden aangepunt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden aangepunt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt aangepunt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word aangepunt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden aangepunt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden aangepunt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden aangepunt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt aangepunt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt aangepunt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal aangepunt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal aangepunt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal aangepunt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal aangepunt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal aangepunt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal aangepunt zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal aangepunt zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal aanpunten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal aanpunten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal aanpunten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal aanpunten | bijzin, toekomende tijd |
| zijn aangepunt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn aangepunt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn aangepunt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt aangepunt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou aangepunt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou aangepunt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou aangepunt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou aangepunt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou aangepunt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou aangepunt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou aangepunt zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou aangepunt zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou aangepunt zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou aanpunten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou aanpunten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou aanpunten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou aanpunten | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) aanpunten aan zou(dt) punten | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden aangepunt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden aangepunt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden aangepunt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden aangepunt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden aangepunt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden aangepunt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden aangepunt zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden aangepunt zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden aangepunt zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden aanpunten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden aanpunten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden aanpunten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden aanpunten | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt aangepunt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt aangepunt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt aangepunt zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt aanpunten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt aanpunten | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen aangepunt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen aangepunt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen aangepunt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen aangepunt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen aangepunt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen aangepunt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen aangepunt zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen aangepunt zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen aangepunt zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen aanpunten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen aanpunten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen aanpunten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen aanpunten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen aanpunten | bijzin, toekomende tijd |
| zult aangepunt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult aangepunt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
samenstelling van aan vz en punten ww
Woordfamilie van aanpunten
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| aangepunt | voltooid deelwoord | aanpunten |
| aangepunte | woordvorm | aanpunten |
| aanpunt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | aanpunten |
| aanpunte | with-subordinate-clause | aanpunten |
| aanpuntend | onvoltooid deelwoord | aanpunten |
| aanpuntende | woordvorm | aanpunten |
| aanpuntte | subordinate-clause, verleden tijd | aanpunten |
| aanpuntten | subordinate-clause, verleden tijd | aanpunten |
| punt aan | gebiedende wijs | aanpunten |
| punte aan | woordvorm | aanpunten |
| punten aan | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | aanpunten |
| puntte aan | verleden tijd | aanpunten |
| puntten aan | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | aanpunten |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van aanpunten zijn vastgelegd.