aanplanten
werkwoord, zelfstandig naamwoord ˈamplɑntə(n)Betekenis
- (jonge gewassen) door beplanting aanbrengen
Hoe spreek je aanplanten uit?
/ˈamplɑntən/
Aanplanten bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| a | maan |
| m | maan |
| p | pak |
| l | land |
| ɑ | bad |
| n | nek |
| t | tak |
| ə | de |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Klinkt hetzelfde als aanplantten.
werkwoord
- door beplanting aanbrengen transitive
Vervoeging van aanplanten
aanplantenhele werkwoord — plantte aanverleden tijd enkelvoud — plantten aanverleden tijd meervoud — aangeplantvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | plant aan | plantte aan |
| jij | plant aan | plantte aan |
| hij, zij, het | plant aan | plantte aan |
| wij | planten aan | plantten aan |
| jullie | planten aan | plantten aan |
| zij | planten aan | plantten aan |
Alle 144 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| aan te planten | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| aan te zullen planten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| aan zal planten | bijzin, toekomende tijd |
| aan zou planten | bijzin, voorwaardelijk |
| aan zouden planten | bijzin, voorwaardelijk |
| aan zoudt planten | bijzin, voorwaardelijk |
| aan zullen planten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| aan zullen planten | bijzin, toekomende tijd |
| aan zult planten | bijzin, toekomende tijd |
| aangeplant | verleden tijd, deelwoord |
| aangeplant te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| aangeplant te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| aangeplant te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| aangeplant te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| aangeplant te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| aangeplant worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| aangeplant zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| aangeplant zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| aangeplant zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| aangeplant zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| aanplant | bijzin, tegenwoordige tijd |
| aanplantend | onvoltooid, deelwoord |
| aanplantte | bijzin, verleden tijd |
| aanplantten | bijzin, verleden tijd |
| ben aangeplant | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent aangeplant | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is aangeplant | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was aangeplant | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd aangeplant | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt aangeplant | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal aangeplant worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal aangeplant zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou aangeplant worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou aangeplant zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had aangeplant | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had aangeplant | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had aangeplant | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden aangeplant | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden aangeplant | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden aangeplant | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt aangeplant | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb aangeplant | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben aangeplant | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben aangeplant | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben aangeplant | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben aangeplant | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt aangeplant | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft aangeplant | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft aangeplant | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is aangeplant | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is aangeplant | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| plant aan | gebiedende wijs |
| plantte aan | verleden tijd |
| te hebben aangeplant | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen aanplanten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart aangeplant | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren aangeplant | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren aangeplant | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren aangeplant | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was aangeplant | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was aangeplant | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was aangeplant | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd aangeplant | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd aangeplant | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd aangeplant | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden aangeplant | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden aangeplant | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden aangeplant | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt aangeplant | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word aangeplant | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden aangeplant | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden aangeplant | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden aangeplant | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt aangeplant | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt aangeplant | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal aangeplant hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal aangeplant hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal aangeplant hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal aangeplant worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal aangeplant worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal aangeplant zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal aangeplant zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal aanplanten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal aanplanten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal aanplanten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal aanplanten | bijzin, toekomende tijd |
| zijn aangeplant | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn aangeplant | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn aangeplant | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt aangeplant | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou aangeplant hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou aangeplant hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou aangeplant hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou aangeplant worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou aangeplant worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou aangeplant worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou aangeplant zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou aangeplant zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou aangeplant zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou aanplanten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou aanplanten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou aanplanten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou aanplanten | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) aanplanten aan zou(dt) planten | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden aangeplant hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden aangeplant hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden aangeplant hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden aangeplant worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden aangeplant worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden aangeplant worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden aangeplant zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden aangeplant zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden aangeplant zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden aanplanten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden aanplanten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden aanplanten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden aanplanten | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt aangeplant hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt aangeplant worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt aangeplant zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt aanplanten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt aanplanten | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen aangeplant hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen aangeplant hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen aangeplant hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen aangeplant worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen aangeplant worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen aangeplant worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen aangeplant zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen aangeplant zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen aangeplant zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen aanplanten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen aanplanten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen aanplanten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen aanplanten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen aanplanten | bijzin, toekomende tijd |
| zult aangeplant hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult aangeplant worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord aanplant
Herkomst
samenstelling van aan vz en planten ww
Woordfamilie van aanplanten
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| aangeplant | voltooid deelwoord | aanplanten |
| aangeplante | woordvorm | aanplanten |
| aanplante | with-subordinate-clause | aanplanten |
| aanplantend | onvoltooid deelwoord | aanplanten |
| aanplantende | woordvorm | aanplanten |
| aanplantte | subordinate-clause, verleden tijd | aanplanten |
| aanplantten | subordinate-clause, verleden tijd | aanplanten |
| plant aan | gebiedende wijs | aanplanten |
| plante aan | woordvorm | aanplanten |
| planten aan | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | aanplanten |
| plantte aan | verleden tijd | aanplanten |
| plantten aan | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | aanplanten |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van aanplanten zijn vastgelegd.