Naar de inhoud

aanplakken

aan iets vastplakken

aanplakken

werkwoord ˈamplɑkə(n)

Betekenis

  1. aan iets vastplakken
  2. met aanplakbiljetten meedelen

Hoe spreek je aanplakken uit?

/ˈamplɑkən/

Aanplakken bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.

De tekens in /ˈamplɑkən/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
a maan
m maan
p pak
l land
ɑ bad
k kat
ə de
n nek
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint

Vervoeging van aanplakken

aanplakkenhele werkwoord — plakte aanverleden tijd enkelvoud — plakten aanverleden tijd meervoud — aangeplaktvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik plak aan plakte aan
jij plakt aan plakte aan
hij, zij, het plakt aan plakte aan
wij plakken aan plakten aan
jullie plakken aan plakten aan
zij plakken aan plakten aan
Alle 82 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
aan te plakken actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
aan te zullen plakken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
aan zal plakken bijzin, toekomende tijd
aan zou plakken bijzin, voorwaardelijk
aan zouden plakken bijzin, voorwaardelijk
aan zoudt plakken bijzin, voorwaardelijk
aan zullen plakken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
aan zullen plakken bijzin, toekomende tijd
aan zult plakken bijzin, toekomende tijd
aangeplakt verleden tijd, deelwoord
aangeplakt te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
aangeplakt zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
aanplak bijzin, tegenwoordige tijd
aanplakkend onvoltooid, deelwoord
aanplakt bijzin, tegenwoordige tijd
aanplakte bijzin, verleden tijd
aanplakten bijzin, verleden tijd
er is aangeplakt impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was aangeplakt impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd aangeplakt impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt aangeplakt impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal aangeplakt worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal aangeplakt zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou aangeplakt worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou aangeplakt zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had aangeplakt voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had aangeplakt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had aangeplakt voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden aangeplakt voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden aangeplakt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden aangeplakt voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt aangeplakt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb aangeplakt voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben aangeplakt actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben aangeplakt voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben aangeplakt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben aangeplakt voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt aangeplakt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft aangeplakt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft aangeplakt voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
plak aan gebiedende wijs
plakte aan verleden tijd
te hebben aangeplakt actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen aanplakken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
zal aangeplakt hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal aangeplakt hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal aangeplakt hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal aanplakken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal aanplakken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal aanplakken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal aanplakken bijzin, toekomende tijd
zou aangeplakt hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou aangeplakt hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou aangeplakt hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou aanplakken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou aanplakken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou aanplakken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou aanplakken bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) aanplakken aan zou(dt) plakken bijzin, voorwaardelijk
zouden aangeplakt hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden aangeplakt hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden aangeplakt hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden aanplakken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden aanplakken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden aanplakken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden aanplakken bijzin, voorwaardelijk
zoudt aangeplakt hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt aanplakken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt aanplakken bijzin, voorwaardelijk
zullen aangeplakt hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen aangeplakt hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen aangeplakt hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen aanplakken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen aanplakken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen aanplakken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen aanplakken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen aanplakken bijzin, toekomende tijd
zult aangeplakt hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult aanplakken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult aanplakken bijzin, toekomende tijd
zult/zal aanplakken aan zult/zal plakken bijzin, toekomende tijd

Herkomst

samenstelling van aan vz en plakken ww

Woordfamilie van aanplakken

Woordvorm Relatie Afgeleid van
aangeplakt voltooid deelwoord aanplakken
aangeplakte woordvorm aanplakken
aanplak subordinate-clause, tegenwoordige tijd aanplakken
aanplakke with-subordinate-clause aanplakken
aanplakkend onvoltooid deelwoord aanplakken
aanplakkende woordvorm aanplakken
aanplakt subordinate-clause, tegenwoordige tijd aanplakken
aanplakte subordinate-clause, verleden tijd aanplakken
aanplakten subordinate-clause, verleden tijd aanplakken
plak aan gebiedende wijs aanplakken
plakke aan woordvorm aanplakken
plakken aan aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon aanplakken
plakt aan aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon aanplakken
plakte aan verleden tijd aanplakken
plakten aan aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon aanplakken

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van aanplakken zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over aanplakken

Hoe spreek ik aanplakken uit?
Zo spreek je aanplakken uit: /ˈamplɑkə(n)/. Dat is de weergave in het internationaal fonetisch alfabet, waarin elke klank een eigen teken heeft. Het streepje ˈ markeert de klemtoon: die ligt op de eerste lettergreep.
Wat is de betekenis van aanplakken?
Aanplakken is een werkwoord. De betekenis is: aan iets vastplakken. In totaal staan er 2 betekenissen.
Hoe vervoeg ik aanplakken?
Zo vervoeg je aanplakken zo: het voltooid deelwoord is aangeplakt. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord aanplakken is 18 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. A 1
  2. A 1
  3. N 1
  4. P 3
  5. L 3
  6. A 1
  7. K 3
  8. K 3
  9. E 1
  10. N 1
  11. 18 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

aanplakken levert met Wordfeud minimaal 19 en maximaal 81 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. A 1
  2. A 1
  3. N 1
  4. P 4
  5. L 3
  6. A 1
  7. K 3
  8. K 3
  9. E 1
  10. N 1
  11. 19 zonder bonus
  12. 81 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (P) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

aanplakken in het kort

aanplakken staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven vind je 2 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van aanplakken staan er 53 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort aanplakken bij een woordfamilie van 15 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

aanplakken: aan iets vastplakken
Deel aanplakken — standaardnederlands.nl