Naar de inhoud

aanpezen

hard rijden

aanpezen

werkwoord ˈampezə(n)

Betekenis

  1. hard rijden
  2. hard doorwerken

Hoe spreek je aanpezen uit?

/ˈampezən/

Aanpezen bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.

De tekens in /ˈampezən/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
a maan
m maan
p pak
e veel
z zon
ə de
n nek
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint

Vervoeging van aanpezen

aanpezenhele werkwoord — peesde aanverleden tijd enkelvoud — peesden aanverleden tijd meervoud — aangepeesdvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik pees aan peesde aan
jij peest aan peesde aan
hij, zij, het peest aan peesde aan
wij pezen aan peesden aan
jullie pezen aan peesden aan
zij pezen aan peesden aan
Alle 74 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
aan te pezen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
aan te zullen pezen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
aan zal pezen bijzin, toekomende tijd
aan zou pezen bijzin, voorwaardelijk
aan zouden pezen bijzin, voorwaardelijk
aan zoudt pezen bijzin, voorwaardelijk
aan zullen pezen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
aan zullen pezen bijzin, toekomende tijd
aan zult pezen bijzin, toekomende tijd
aangepeesd verleden tijd, deelwoord
aangepeesd te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
aangepeesd zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
aanpees bijzin, tegenwoordige tijd
aanpeesde bijzin, verleden tijd
aanpeesden bijzin, verleden tijd
aanpeest bijzin, tegenwoordige tijd
aanpezend onvoltooid, deelwoord
ev. gebiedende wijs
had aangepeesd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had aangepeesd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had aangepeesd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden aangepeesd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden aangepeesd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden aangepeesd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt aangepeesd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb aangepeesd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben aangepeesd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben aangepeesd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben aangepeesd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben aangepeesd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt aangepeesd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft aangepeesd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft aangepeesd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
pees aan gebiedende wijs
peesde aan verleden tijd
te hebben aangepeesd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen aanpezen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
zal aangepeesd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal aangepeesd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal aangepeesd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal aanpezen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal aanpezen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal aanpezen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal aanpezen bijzin, toekomende tijd
zou aangepeesd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou aangepeesd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou aangepeesd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou aanpezen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou aanpezen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou aanpezen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou aanpezen bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) aanpezen aan zou(dt) pezen bijzin, voorwaardelijk
zouden aangepeesd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden aangepeesd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden aangepeesd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden aanpezen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden aanpezen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden aanpezen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden aanpezen bijzin, voorwaardelijk
zoudt aangepeesd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt aanpezen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt aanpezen bijzin, voorwaardelijk
zullen aangepeesd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen aangepeesd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen aangepeesd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen aanpezen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen aanpezen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen aanpezen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen aanpezen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen aanpezen bijzin, toekomende tijd
zult aangepeesd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult aanpezen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult aanpezen bijzin, toekomende tijd
zult/zal aanpezen aan zult/zal pezen bijzin, toekomende tijd

Herkomst

samenstelling van aan en pezen

Woordfamilie van aanpezen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
aangepeesd voltooid deelwoord aanpezen
aanpees subordinate-clause, tegenwoordige tijd aanpezen
aanpeesde subordinate-clause, verleden tijd aanpezen
aanpeesden subordinate-clause, verleden tijd aanpezen
aanpeest subordinate-clause, tegenwoordige tijd aanpezen
aanpeze with-subordinate-clause aanpezen
aanpezend onvoltooid deelwoord aanpezen
aanpezende woordvorm aanpezen
pees aan gebiedende wijs aanpezen
peesde aan verleden tijd aanpezen
peesden aan aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon aanpezen
peest aan aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon aanpezen
peze aan woordvorm aanpezen
pezen aan aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon aanpezen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van aanpezen zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over aanpezen

Hoe spreek je aanpezen uit?
De uitspraak van aanpezen is: /ˈampezə(n)/. Dit is het internationaal fonetisch alfabet, waarmee elke klank apart wordt genoteerd. Het teken ˈ geeft de klemtoon aan: de nadruk valt op de eerste lettergreep.
Wat betekent aanpezen?
Aanpezen is een werkwoord. Het woord betekent: hard rijden. Deze pagina beschrijft 2 betekenissen op deze pagina.
Hoe vervoeg je aanpezen?
Je vervoegt aanpezen als volgt: het voltooid deelwoord is aangepeesd. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord aanpezen is 13 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. A 1
  2. A 1
  3. N 1
  4. P 3
  5. E 1
  6. Z 4
  7. E 1
  8. N 1
  9. 13 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

aanpezen levert met Wordfeud minimaal 15 en maximaal 75 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. A 1
  2. A 1
  3. N 1
  4. P 4
  5. E 1
  6. Z 5
  7. E 1
  8. N 1
  9. 15 zonder bonus
  10. 75 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (Z) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

aanpezen in het kort

aanpezen staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven staan 2 omschrijvingen, elk met de woordsoort waar hij bij hoort. Van aanpezen zijn 45 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort aanpezen bij een woordfamilie van 14 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

aanpezen: hard rijden
Deel aanpezen — standaardnederlands.nl