aanpakken
werkwoord, zelfstandig naamwoord ˈampɑkə(n)Betekenis
- aanvatten
- in rechte vervolgen, streng zijn
- (door hard werken) een probleem oplossen
Hoe spreek je aanpakken uit?
/ˈampɑkən/
Aanpakken bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| a | maan |
| m | maan |
| p | pak |
| ɑ | bad |
| k | kat |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
werkwoord
- een probleem oplossen transitive
Vervoeging van aanpakken
aanpakkenhele werkwoord — pakte aanverleden tijd enkelvoud — pakten aanverleden tijd meervoud — aangepaktvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | pak aan | pakte aan |
| jij | pakt aan | pakte aan |
| hij, zij, het | pakt aan | pakte aan |
| wij | pakken aan | pakten aan |
| jullie | pakken aan | pakten aan |
| zij | pakken aan | pakten aan |
Alle 82 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| aan te pakken | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| aan te zullen pakken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| aan zal pakken | bijzin, toekomende tijd |
| aan zou pakken | bijzin, voorwaardelijk |
| aan zouden pakken | bijzin, voorwaardelijk |
| aan zoudt pakken | bijzin, voorwaardelijk |
| aan zullen pakken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| aan zullen pakken | bijzin, toekomende tijd |
| aan zult pakken | bijzin, toekomende tijd |
| aangepakt | verleden tijd, deelwoord |
| aangepakt te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| aangepakt zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| aanpak | bijzin, tegenwoordige tijd |
| aanpakkend | onvoltooid, deelwoord |
| aanpakt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| aanpakte | bijzin, verleden tijd |
| aanpakten | bijzin, verleden tijd |
| er is aangepakt | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was aangepakt | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd aangepakt | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt aangepakt | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal aangepakt worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal aangepakt zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou aangepakt worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou aangepakt zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had aangepakt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had aangepakt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had aangepakt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden aangepakt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden aangepakt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden aangepakt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt aangepakt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb aangepakt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben aangepakt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben aangepakt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben aangepakt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben aangepakt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt aangepakt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft aangepakt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft aangepakt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| pak aan | gebiedende wijs |
| pakte aan | verleden tijd |
| te hebben aangepakt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen aanpakken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal aangepakt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal aangepakt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal aangepakt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal aanpakken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal aanpakken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal aanpakken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal aanpakken | bijzin, toekomende tijd |
| zou aangepakt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou aangepakt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou aangepakt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou aanpakken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou aanpakken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou aanpakken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou aanpakken | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) aanpakken aan zou(dt) pakken | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden aangepakt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden aangepakt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden aangepakt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden aanpakken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden aanpakken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden aanpakken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden aanpakken | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt aangepakt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt aanpakken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt aanpakken | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen aangepakt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen aangepakt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen aangepakt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen aanpakken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen aanpakken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen aanpakken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen aanpakken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen aanpakken | bijzin, toekomende tijd |
| zult aangepakt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult aanpakken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult aanpakken | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal aanpakken aan zult/zal pakken | bijzin, toekomende tijd |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord aanpak
Herkomst
samenstelling van aan vz en pakken ww
Woordfamilie van aanpakken
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| aangepakt | voltooid deelwoord | aanpakken |
| aangepakte | woordvorm | aanpakken |
| aanpakke | with-subordinate-clause | aanpakken |
| aanpakkend | onvoltooid deelwoord | aanpakken |
| aanpakkende | woordvorm | aanpakken |
| aanpakt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | aanpakken |
| aanpakte | subordinate-clause, verleden tijd | aanpakken |
| aanpakten | subordinate-clause, verleden tijd | aanpakken |
| pak aan | gebiedende wijs | aanpakken |
| pakke aan | woordvorm | aanpakken |
| pakken aan | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | aanpakken |
| pakt aan | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | aanpakken |
| pakte aan | verleden tijd | aanpakken |
| pakten aan | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | aanpakken |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van aanpakken zijn vastgelegd.