aanloeven
werkwoord ˈanluvə(n)Betekenis
- scherper tegen de wind zeilen
Hoe spreek je aanloeven uit?
/ˈanluvən/
Aanloeven bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| a | maan |
| n | nek |
| l | land |
| u | boek |
| v | vis |
| ə | de |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van aanloeven
aanloevenhele werkwoord — loefde aanverleden tijd enkelvoud — loefden aanverleden tijd meervoud — aangeloefdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | loef aan | loefde aan |
| jij | loeft aan | loefde aan |
| hij, zij, het | loeft aan | loefde aan |
| wij | loeven aan | loefden aan |
| jullie | loeven aan | loefden aan |
| zij | loeven aan | loefden aan |
Alle 74 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| aan te loeven | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| aan te zullen loeven | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| aan zal loeven | bijzin, toekomende tijd |
| aan zou loeven | bijzin, voorwaardelijk |
| aan zouden loeven | bijzin, voorwaardelijk |
| aan zoudt loeven | bijzin, voorwaardelijk |
| aan zullen loeven | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| aan zullen loeven | bijzin, toekomende tijd |
| aan zult loeven | bijzin, toekomende tijd |
| aangeloefd | verleden tijd, deelwoord |
| aangeloefd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| aangeloefd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| aanloef | bijzin, tegenwoordige tijd |
| aanloefde | bijzin, verleden tijd |
| aanloefden | bijzin, verleden tijd |
| aanloeft | bijzin, tegenwoordige tijd |
| aanloevend | onvoltooid, deelwoord |
| ev. | gebiedende wijs |
| had aangeloefd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had aangeloefd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had aangeloefd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden aangeloefd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden aangeloefd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden aangeloefd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt aangeloefd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb aangeloefd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben aangeloefd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben aangeloefd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben aangeloefd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben aangeloefd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt aangeloefd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft aangeloefd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft aangeloefd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| loef aan | gebiedende wijs |
| loefde aan | verleden tijd |
| te hebben aangeloefd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen aanloeven | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal aangeloefd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal aangeloefd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal aangeloefd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal aanloeven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal aanloeven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal aanloeven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal aanloeven | bijzin, toekomende tijd |
| zou aangeloefd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou aangeloefd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou aangeloefd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou aanloeven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou aanloeven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou aanloeven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou aanloeven | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) aanloeven aan zou(dt) loeven | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden aangeloefd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden aangeloefd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden aangeloefd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden aanloeven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden aanloeven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden aanloeven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden aanloeven | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt aangeloefd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt aanloeven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt aanloeven | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen aangeloefd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen aangeloefd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen aangeloefd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen aanloeven | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen aanloeven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen aanloeven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen aanloeven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen aanloeven | bijzin, toekomende tijd |
| zult aangeloefd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult aanloeven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult aanloeven | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal aanloeven aan zult/zal loeven | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van aan vz en loeven ww
Woordfamilie van aanloeven
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| aangeloefd | voltooid deelwoord | aanloeven |
| aangeloefde | woordvorm | aanloeven |
| aanloef | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | aanloeven |
| aanloefde | subordinate-clause, verleden tijd | aanloeven |
| aanloefden | subordinate-clause, verleden tijd | aanloeven |
| aanloeft | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | aanloeven |
| aanloeve | with-subordinate-clause | aanloeven |
| aanloevend | onvoltooid deelwoord | aanloeven |
| aanloevende | woordvorm | aanloeven |
| loef aan | gebiedende wijs | aanloeven |
| loefde aan | verleden tijd | aanloeven |
| loefden aan | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | aanloeven |
| loeft aan | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | aanloeven |
| loeve aan | woordvorm | aanloeven |
| loeven aan | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | aanloeven |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van aanloeven zijn vastgelegd.