aangorden
werkwoord ˈaŋɣɔrdə(n)Betekenis
- iets met een riem of band om het middel binden
- in riemen vastzetten
- zich gereedmaken (voor de strijd)
Hoe spreek je aangorden uit?
/ˈaŋxɔrdən/
Aangorden bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| a | maan |
| ŋ | ding |
| x | acht |
| ɔ | bot |
| r | rood |
| d | dak |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Klinkt hetzelfde als aangordden.
Vervoeging van aangorden
aangordenhele werkwoord — gordde aanverleden tijd enkelvoud — gordden aanverleden tijd meervoud — aangegordvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | gord aan | gordde aan |
| jij | gordt aan | gordde aan |
| hij, zij, het | gordt aan | gordde aan |
| wij | gorden aan | gordden aan |
| jullie | gorden aan | gordden aan |
| zij | gorden aan | gordden aan |
Alle 159 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| aan te gorden | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| aan te zullen gorden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| aan zal gorden | bijzin, toekomende tijd |
| aan zou gorden | bijzin, voorwaardelijk |
| aan zouden gorden | bijzin, voorwaardelijk |
| aan zoudt gorden | bijzin, voorwaardelijk |
| aan zullen gorden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| aan zullen gorden | bijzin, toekomende tijd |
| aan zult gorden | bijzin, toekomende tijd |
| aangegord | verleden tijd, deelwoord |
| aangegord te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| aangegord te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| aangegord te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| aangegord te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| aangegord te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| aangegord worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| aangegord zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| aangegord zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| aangegord zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| aangegord zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| aangord | bijzin, tegenwoordige tijd |
| aangordde | bijzin, verleden tijd |
| aangordden | bijzin, verleden tijd |
| aangorddet | bijzin, verleden tijd |
| aangordend | onvoltooid, deelwoord |
| aangordt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| ben aangegord | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent aangegord | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is aangegord | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was aangegord | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd aangegord | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt aangegord | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal aangegord worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal aangegord zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou aangegord worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou aangegord zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gord aan | gebiedende wijs |
| gord u/je aan, gordt je aan | gebiedende wijs |
| gordde aan | verleden tijd |
| had aangegord | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had aangegord | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had aangegord | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden aangegord | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden aangegord | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden aangegord | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt aangegord | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb aangegord | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben aangegord | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben aangegord | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben aangegord | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben aangegord | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt aangegord | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft aangegord | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft aangegord | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is aangegord | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is aangegord | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben aangegord | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen aangorden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart aangegord | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren aangegord | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren aangegord | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren aangegord | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was aangegord | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was aangegord | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was aangegord | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd aangegord | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd aangegord | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd aangegord | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden aangegord | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden aangegord | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden aangegord | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt aangegord | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word aangegord | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden aangegord | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden aangegord | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden aangegord | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt aangegord | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt aangegord | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal aangegord hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal aangegord hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal aangegord hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal aangegord worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal aangegord worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal aangegord zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal aangegord zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal aangorden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal aangorden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal aangorden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal aangorden | bijzin, toekomende tijd |
| zal me aangorden | eerste persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal zich aangorden | derde persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal, zult je aangorden | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zich aangegord hebben | verleden tijd |
| zich aangordend | onvoltooid, deelwoord |
| zijn aangegord | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn aangegord | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn aangegord | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt aangegord | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou aangegord hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou aangegord hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou aangegord hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou aangegord worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou aangegord worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou aangegord worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou aangegord zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou aangegord zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou aangegord zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou aangorden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou aangorden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou aangorden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou aangorden | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) aangorden aan zou(dt) gorden | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden aangegord hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden aangegord hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden aangegord hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden aangegord worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden aangegord worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden aangegord worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden aangegord zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden aangegord zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden aangegord zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden aangorden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden aangorden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden aangorden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden aangorden | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt aangegord hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt aangegord worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt aangegord zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt aangorden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt aangorden | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen aangegord hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen aangegord hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen aangegord hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen aangegord worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen aangegord worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen aangegord worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen aangegord zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen aangegord zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
samenstelling van aan vz en gorden ww
Woordfamilie van aangorden
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| aangegord | voltooid deelwoord | aangorden |
| aangegorde | woordvorm | aangorden |
| aangord | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | aangorden |
| aangordde | subordinate-clause, verleden tijd | aangorden |
| aangordden | subordinate-clause, verleden tijd | aangorden |
| aangorde | with-subordinate-clause | aangorden |
| aangordend | onvoltooid deelwoord | aangorden |
| aangordende | woordvorm | aangorden |
| aangordt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | aangorden |
| gord aan | gebiedende wijs | aangorden |
| gordde aan | verleden tijd | aangorden |
| gordden aan | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | aangorden |
| gorde aan | woordvorm | aangorden |
| gorden aan | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | aangorden |
| gordt aan | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | aangorden |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van aangorden zijn vastgelegd.