aaneengroeien
werkwoord anˈenɣrujə(n)Betekenis
- aan elkaar vastgroeien
Hoe spreek je aaneengroeien uit?
/anˈenxrujən/
Aaneengroeien bestaat uit vier lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| a | maan |
| n | nek |
| e | veel |
| x | acht |
| r | rood |
| u | boek |
| j | ja |
| ə | de |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van aaneengroeien
aaneengroeienhele werkwoord — groeide aaneenverleden tijd enkelvoud — groeiden aaneenverleden tijd meervoud — aaneengegroeidvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | groei aaneen | groeide aaneen |
| jij | groeit aaneen | groeide aaneen |
| hij, zij, het | groeit aaneen | groeide aaneen |
| wij | groeien aaneen | groeiden aaneen |
| jullie | groeien aaneen | groeiden aaneen |
| zij | groeien aaneen | groeiden aaneen |
Alle 75 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| aaneen te groeien | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| aaneen te zullen groeien | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| aaneen zal groeien | bijzin, toekomende tijd |
| aaneen zou groeien | bijzin, voorwaardelijk |
| aaneen zouden groeien | bijzin, voorwaardelijk |
| aaneen zoudt groeien | bijzin, voorwaardelijk |
| aaneen zullen groeien | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| aaneen zullen groeien | bijzin, toekomende tijd |
| aaneen zult groeien | bijzin, toekomende tijd |
| aaneengegroeid | verleden tijd, deelwoord |
| aaneengegroeid te zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| aaneengegroeid zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| aaneengroei | bijzin, tegenwoordige tijd |
| aaneengroeide | bijzin, verleden tijd |
| aaneengroeiden | bijzin, verleden tijd |
| aaneengroeiend | onvoltooid, deelwoord |
| aaneengroeit | bijzin, tegenwoordige tijd |
| ben aaneengegroeid | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent aaneengegroeid | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| ev. | gebiedende wijs |
| groei aaneen | gebiedende wijs |
| groeide aaneen | verleden tijd |
| is aaneengegroeid | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is aaneengegroeid | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te zijn aaneengegroeid | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen aaneengroeien | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart aaneengegroeid | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren aaneengegroeid | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren aaneengegroeid | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren aaneengegroeid | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was aaneengegroeid | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was aaneengegroeid | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was aaneengegroeid | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| zal aaneengegroeid zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal aaneengegroeid zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal aaneengegroeid zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal aaneengroeien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal aaneengroeien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal aaneengroeien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal aaneengroeien | bijzin, toekomende tijd |
| zijn aaneengegroeid | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| zijn aaneengegroeid | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn aaneengegroeid | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn aaneengegroeid | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt aaneengegroeid | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou aaneengegroeid zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou aaneengegroeid zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou aaneengegroeid zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou aaneengroeien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou aaneengroeien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou aaneengroeien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou aaneengroeien | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) aaneengroeien aaneen zou(dt) groeien | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden aaneengegroeid zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden aaneengegroeid zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden aaneengegroeid zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden aaneengroeien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden aaneengroeien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden aaneengroeien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden aaneengroeien | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt aaneengegroeid zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt aaneengroeien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt aaneengroeien | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen aaneengegroeid zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen aaneengegroeid zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen aaneengegroeid zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen aaneengroeien | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen aaneengroeien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen aaneengroeien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen aaneengroeien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen aaneengroeien | bijzin, toekomende tijd |
| zult aaneengegroeid zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult aaneengroeien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult aaneengroeien | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal aaneengroeien aaneen zult/zal groeien | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van aaneen en groeien
Woordfamilie van aaneengroeien
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| aaneengegroeid | voltooid deelwoord | aaneengroeien |
| aaneengegroeide | woordvorm | aaneengroeien |
| aaneengroei | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | aaneengroeien |
| aaneengroeide | subordinate-clause, verleden tijd | aaneengroeien |
| aaneengroeiden | subordinate-clause, verleden tijd | aaneengroeien |
| aaneengroeie | with-subordinate-clause | aaneengroeien |
| aaneengroeiend | onvoltooid deelwoord | aaneengroeien |
| aaneengroeiende | woordvorm | aaneengroeien |
| aaneengroeit | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | aaneengroeien |
| groei aaneen | gebiedende wijs | aaneengroeien |
| groeide aaneen | verleden tijd | aaneengroeien |
| groeiden aaneen | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | aaneengroeien |
| groeie aaneen | woordvorm | aaneengroeien |
| groeien aaneen | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | aaneengroeien |
| groeit aaneen | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | aaneengroeien |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van aaneengroeien zijn vastgelegd.