zweer
zelfstandig naamwoord, werkwoordBetekenis
- ontstoken plek, infectie
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| zweertje | verkleinwoord, enkelvoud |
| zweertjes | verkleinwoord, meervoud |
| zweren | meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van zweren
- gebiedende wijs van zweren
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van zweren
Vervoeging van zweer
zweerhele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘ontsteking’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1240
Woordfamilie van zweer
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| zweertje | verkleinwoord | zweer |
| zweertjes | verkleinwoord meervoud | zweer |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van zweer zijn vastgelegd.