zittingsjaar
zelfstandig naamwoordBetekenis
- jaar dat iemand deel uitmaakt van een college of raad
- jaar dat een college of raad bij elkaar komt
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| zittingsjaartje | verkleinwoord, enkelvoud |
| zittingsjaartjes | verkleinwoord, meervoud |
| zittingsjaren | meervoud |
Herkomst
samenstelling van zitting zn en jaar zn met het invoegsel -s-
Woordfamilie van zittingsjaar
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| zittingsjaartje | verkleinwoord | zittingsjaar |
| zittingsjaartjes | verkleinwoord meervoud | zittingsjaar |
| zittingsjaren | meervoud | zittingsjaar |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van zittingsjaar zijn vastgelegd.