zever
zelfstandig naamwoord, werkwoordBetekenis
- iemand die schier eindeloos over onbelangrijke details blijft praten, een zeurpiet
- speeksel, kwijl
- flauwekul, kletspraat
zelfstandig naamwoord — masculine
- iemand die schier eindeloos over onbelangrijke details blijft praten informal, pejorative
- gedoe, problemen informal
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| zevers | meervoud |
| zevertje | verkleinwoord, enkelvoud |
| zevertjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van zeveren
- gebiedende wijs van zeveren
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van zeveren
Vervoeging van zever
zeverhele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘kwijl’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1350
Woordfamilie van zever
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| zevers | meervoud | zever |
| zevertje | verkleinwoord | zever |
| zevertjes | verkleinwoord meervoud | zever |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van zever zijn vastgelegd.