zebra
zelfstandig naamwoord ˈzebraBetekenis
- paardachtig hoefdier, gekenmerkt door zijn lichte huid met donkere strepen
- voetgangersoversteekplaats met witte strepen op de rijbaan, zebrapad
Hoe spreek je zebra uit?
/ˈzebra/
Zebra bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| z | zon |
| e | veel |
| b | bak |
| r | rood |
| a | maan |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — masculine
- Equus (Hippotigris) snel, paardachtig kuddedier van de Afrikaanse steppen, gekenmerkt door zijn witte of lichtgele huid met zwarte of donkerbruine strepen, opstaande manen, tamelijk lange oren en zijn niet tot de wortel behaarde staart
- voetgangersoversteekplaats met witte strepen op de rijbaan
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| zebra's | meervoud |
| zebraatje | verkleinwoord, enkelvoud |
| zebraatjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit Portugees zebra ‘zebra’, ouder zevra, uit Oudportugees cebrario, ezebrario ‘wilde ezel’, ontwikkeld uit vulgair Latijn *eciferus, vervormd uit klassiek equiferus ‘wild paard’. **[1] in de betekenis van ‘zwart-wit gestreepte paardachtige’ aangetroffen vanaf 1596. **[2] in de betekenis van ‘oversteekplaats’ aangetroffen vanaf 1955.
Woordfamilie van zebra
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| zebra's | meervoud | zebra |
| zebraatje | verkleinwoord | zebra |
| zebraatjes | verkleinwoord meervoud | zebra |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van zebra zijn vastgelegd.