zeboe
zelfstandig naamwoordBetekenis
- Bos taurus indicus een rund dat in het Indische subcontinent en Afrika wordt gedomesticeerd, en voornamelijk in tropische en subtropische klimaten gehouden wordt
zelfstandig naamwoord — masculine
- Bos primigenius indicus een zoogdier uit de familie van de holhoornigen (Bovidae) dat voornamelijk in gebieden met een tropisch en subtropisch klimaat in Zuid-Azië en Afrika wordt gehouden. Het dier wordt gekarakteriseerd door de grote bult achter de nek
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| zeboes | meervoud |
| zeboetje | verkleinwoord, enkelvoud |
| zeboetjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘herkauwer’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1770
Woordfamilie van zeboe
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| zeboes | meervoud | zeboe |
| zeboetje | verkleinwoord | zeboe |
| zeboetjes | verkleinwoord meervoud | zeboe |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van zeboe zijn vastgelegd.