zandaal
zelfstandig naamwoord /ˈzɑndal/Betekenis
- een straalvinnige vis die behoort tot de familie zandalen (Hypoptychidae) van de orde stekelbaarsachtigen (Gasterosteiformes)
Hoe spreek je zandaal uit?
/ˈzɑndal/
Zandaal bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| z | zon |
| ɑ | bad |
| n | nek |
| d | dak |
| a | maan |
| l | land |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — masculine
- bepaald soort vis, Hypoptychus dybowskii, uit de familie zandalen (Hypoptychidae) van de orde stekelbaarsachtigen (Gasterosteiformes)
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| zandaaltje | verkleinwoord, enkelvoud |
| zandaaltjes | verkleinwoord, meervoud |
| zandalen | meervoud |
Herkomst
samenstelling van zand en aal
Woordfamilie van zandaal
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| zandaaltje | verkleinwoord | zandaal |
| zandaaltjes | verkleinwoord meervoud | zandaal |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van zandaal zijn vastgelegd.