workshop
zelfstandig naamwoord, werkwoordBetekenis
- gelegenheid waarbij men gezamenlijk creatief bezig is
- werkgroep
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| workshopje | verkleinwoord, enkelvoud |
| workshopjes | verkleinwoord, meervoud |
| workshops | meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van workshoppen
- gebiedende wijs van workshoppen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van workshoppen
Vervoeging van workshop
workshophele werkwoord
Herkomst
Leenwoord uit het Engels, in de betekenis van ‘bijeenkomst ter bespreking’ voor het eerst aangetroffen in 1970
Woordfamilie van workshop
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| workshopje | verkleinwoord | workshop |
| workshopjes | verkleinwoord meervoud | workshop |
| workshops | meervoud | workshop |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van workshop zijn vastgelegd.