woonwagengezin
zelfstandig naamwoordBetekenis
- een gezin dat in een woonwagen woont
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| woonwagengezinnen | meervoud |
| woonwagengezinnetje | verkleinwoord, enkelvoud |
| woonwagengezinnetjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
Samenstelling van woonwagen en gezin
Woordfamilie van woonwagengezin
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| woonwagengezinnen | meervoud | woonwagengezin |
| woonwagengezinnetje | verkleinwoord | woonwagengezin |
| woonwagengezinnetjes | verkleinwoord meervoud | woonwagengezin |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van woonwagengezin zijn vastgelegd.