woninginbraak
zelfstandig naamwoordBetekenis
- het oneigenlijk toegang verschaffen tot een woning van een ander waarbij er doorgaans waardevolle materialen uit de woning worden weggenomen
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| woninginbraakje | verkleinwoord, enkelvoud |
| woninginbraakjes | verkleinwoord, meervoud |
| woninginbraken | meervoud |
Herkomst
Samenstelling van woning en inbraak
Woordfamilie van woninginbraak
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| woninginbraakje | verkleinwoord | woninginbraak |
| woninginbraakjes | verkleinwoord meervoud | woninginbraak |
| woninginbraken | meervoud | woninginbraak |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van woninginbraak zijn vastgelegd.