wintervacht
zelfstandig naamwoordBetekenis
- is de behaarde huid van een zoogdier in de winter
zelfstandig naamwoord — feminine, masculine
- de behaarde huid van een zoogdier in de winter
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| wintervachten | meervoud |
| wintervachtje | verkleinwoord, enkelvoud |
| wintervachtjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
samenstelling van winter en vacht
Woordfamilie van wintervacht
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| wintervachten | meervoud | wintervacht |
| wintervachtje | verkleinwoord | wintervacht |
| wintervachtjes | verkleinwoord meervoud | wintervacht |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van wintervacht zijn vastgelegd.