weifelen
werkwoord /'ʋɛɪfələ(n)/Betekenis
- in besluiteloosheid niet tot handelen overgaan
Hoe spreek je weifelen uit?
/ˈwɛifələn/
Weifelen bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| w | quiz |
| ɛi | trein |
| f | fiets |
| ə | de |
| l | land |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van weifelen
weifelenhele werkwoord — weifeldeverleden tijd enkelvoud — weifeldenverleden tijd meervoud — geweifeldvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | weifel | weifelde |
| jij | weifelt | weifelde |
| hij, zij, het | weifelt | weifelde |
| wij | weifelen | weifelden |
| jullie | weifelen | weifelden |
| zij | weifelen | weifelden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| geweifeld | verleden tijd, deelwoord |
| geweifeld te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geweifeld zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had geweifeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had geweifeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had geweifeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden geweifeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden geweifeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden geweifeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt geweifeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb geweifeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geweifeld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben geweifeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geweifeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben geweifeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt geweifeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geweifeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geweifeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben geweifeld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te weifelen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen weifelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| weifel | gebiedende wijs |
| weifelde | verleden tijd |
| weifele | aanvoegende wijs |
| weifelend | onvoltooid, deelwoord |
| zal geweifeld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geweifeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal geweifeld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal weifelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal weifelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal weifelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou geweifeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geweifeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geweifeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou weifelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou weifelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou weifelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden geweifeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geweifeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geweifeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden weifelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden weifelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden weifelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt geweifeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt weifelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen geweifeld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geweifeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geweifeld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen weifelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen weifelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen weifelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen weifelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult geweifeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult weifelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
In de betekenis van ‘aarzelen’ voor het eerst aangetroffen in 1562
Woordfamilie van weifelen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| geweifeld | voltooid deelwoord | weifelen |
| weifel | gebiedende wijs | weifelen |
| weifelde | verleden tijd | weifelen |
| weifelden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | weifelen |
| weifele | aanvoegende wijs | weifelen |
| weifelt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | weifelen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van weifelen zijn vastgelegd.