weekeind
zelfstandig naamwoord, werkwoordBetekenis
- periode van vrijdagavond tot en met zondagnacht
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| weekeinden | meervoud |
| weekeindes | meervoud |
| weekeindje | verkleinwoord, enkelvoud |
| weekeindjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van weekeinden
- gebiedende wijs van weekeinden
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van weekeinden
Vervoeging van weekeind
weekeindhele werkwoord
Herkomst
samenstelling van week zn en eind zn