weefstoel
zelfstandig naamwoordBetekenis
- weeftoestel waaraan de wever zit als hij weeft
zelfstandig naamwoord — masculine
- handweefgetouw waaraan de wever zit als hij weeft
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| weefstoelen | meervoud |
| weefstoeltje | verkleinwoord, enkelvoud |
| weefstoeltjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
samenstelling van weven ww en stoel zn ; evenzo samengesteld zijn Nederduits Weevstohl en Duits Webstuhl.
Woordfamilie van weefstoel
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| weefstoelen | meervoud | weefstoel |
| weefstoeltje | verkleinwoord | weefstoel |
| weefstoeltjes | verkleinwoord meervoud | weefstoel |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van weefstoel zijn vastgelegd.