Naar de inhoud

wantrouwen

niet vertrouwen, argwanend zijn tegen

wantrouwen is meer dan één woord

wantrouwen

werkwoord, zelfstandig naamwoord ˈwɑntrɑuwə(n)

Betekenis

  1. niet vertrouwen, argwanend zijn tegen
  2. afwezigheid van vertrouwen

Hoe spreek je wantrouwen uit?

/ˈwɑntrɑuwən/

Wantrouwen bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.

De tekens in /ˈwɑntrɑuwən/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
w quiz
ɑ bad
n nek
t tak
r rood
ɑu koud
ə de
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint

Vervoeging van wantrouwen

wantrouwenhele werkwoord — wantrouwdeverleden tijd enkelvoud — wantrouwdenverleden tijd meervoud — gewantrouwdvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik wantrouw wantrouwde
jij wantrouwt wantrouwde
hij, zij, het wantrouwt wantrouwde
wij wantrouwen wantrouwden
jullie wantrouwen wantrouwden
zij wantrouwen wantrouwden
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben gewantrouwd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent gewantrouwd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is gewantrouwd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was gewantrouwd impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd gewantrouwd impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt gewantrouwd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal gewantrouwd worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal gewantrouwd zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou gewantrouwd worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou gewantrouwd zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
gewantrouwd verleden tijd, deelwoord
gewantrouwd te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
gewantrouwd te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
gewantrouwd te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gewantrouwd te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
gewantrouwd te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gewantrouwd worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
gewantrouwd zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
gewantrouwd zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
gewantrouwd zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
gewantrouwd zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
had gewantrouwd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had gewantrouwd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had gewantrouwd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden gewantrouwd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden gewantrouwd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden gewantrouwd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt gewantrouwd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb gewantrouwd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gewantrouwd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben gewantrouwd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gewantrouwd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben gewantrouwd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt gewantrouwd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gewantrouwd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gewantrouwd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is gewantrouwd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is gewantrouwd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te hebben gewantrouwd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te wantrouwen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen wantrouwen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart gewantrouwd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
wantrouw gebiedende wijs
wantrouwde verleden tijd
wantrouwe aanvoegende wijs
wantrouwend onvoltooid, deelwoord
waren gewantrouwd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren gewantrouwd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren gewantrouwd voltooid, verleden tijd, derde persoon
was gewantrouwd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was gewantrouwd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was gewantrouwd voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd gewantrouwd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd gewantrouwd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd gewantrouwd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden gewantrouwd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden gewantrouwd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden gewantrouwd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt gewantrouwd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word gewantrouwd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden gewantrouwd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden gewantrouwd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden gewantrouwd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt gewantrouwd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt gewantrouwd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal gewantrouwd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gewantrouwd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal gewantrouwd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal gewantrouwd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gewantrouwd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal gewantrouwd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gewantrouwd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal wantrouwen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal wantrouwen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal wantrouwen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zijn gewantrouwd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn gewantrouwd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn gewantrouwd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt gewantrouwd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou gewantrouwd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gewantrouwd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gewantrouwd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou gewantrouwd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gewantrouwd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou gewantrouwd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gewantrouwd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gewantrouwd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gewantrouwd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou wantrouwen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou wantrouwen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou wantrouwen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zouden gewantrouwd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden gewantrouwd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden gewantrouwd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden gewantrouwd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden gewantrouwd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden gewantrouwd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden gewantrouwd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden gewantrouwd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden gewantrouwd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden wantrouwen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden wantrouwen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden wantrouwen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zoudt gewantrouwd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt gewantrouwd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt gewantrouwd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt wantrouwen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zullen gewantrouwd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen gewantrouwd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen gewantrouwd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen gewantrouwd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen gewantrouwd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen gewantrouwd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen gewantrouwd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen gewantrouwd zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen gewantrouwd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen wantrouwen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen wantrouwen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen wantrouwen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen wantrouwen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zult gewantrouwd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult gewantrouwd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult gewantrouwd zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult wantrouwen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon

Herkomst

ww: van Middelnederlands, *samenstelling van wan bn en trouwen ww

Woordfamilie van wantrouwen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
gewantrouwd voltooid deelwoord wantrouwen
gewantrouwde woordvorm wantrouwen
wantrouw gebiedende wijs wantrouwen
wantrouwde verleden tijd wantrouwen
wantrouwden aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon wantrouwen
wantrouwe aanvoegende wijs wantrouwen
wantrouwt aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon wantrouwen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van wantrouwen zijn vastgelegd.

Afleidingen en samenstellingen

Veelgestelde vragen over wantrouwen

Hoe spreek ik wantrouwen uit?
Zo spreek je wantrouwen uit: /ˈwɑntrɑuwə(n)/. Dat is de weergave in het internationaal fonetisch alfabet, waarin elke klank een eigen teken heeft. Het streepje ˈ markeert de klemtoon: die ligt op de eerste lettergreep.
Wat is de betekenis van wantrouwen?
Wantrouwen is een werkwoord. De betekenis is: niet vertrouwen, argwanend zijn tegen. In totaal staan er 2 betekenissen.
Hoe vervoeg ik wantrouwen?
Zo vervoeg je wantrouwen zo: de tegenwoordige tijd is wantrouw, de verleden tijd is wantrouwde en het voltooid deelwoord is gewantrouwd. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord wantrouwen is 23 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. W 5
  2. A 1
  3. N 1
  4. T 2
  5. R 2
  6. O 1
  7. U 4
  8. W 5
  9. E 1
  10. N 1
  11. 23 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

wantrouwen levert met Wordfeud minimaal 21 en maximaal 93 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. W 5
  2. A 1
  3. N 1
  4. T 2
  5. R 2
  6. O 1
  7. U 2
  8. W 5
  9. E 1
  10. N 1
  11. 21 zonder bonus
  12. 93 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (W) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

wantrouwen in het kort

wantrouwen is zowel werkwoord als zelfstandig naamwoord. Wat het is, hangt af van de zin. Hierboven vind je 2 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van wantrouwen staan er 75 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort wantrouwen bij een woordfamilie van 7 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

wantrouwen: niet vertrouwen, argwanend zijn tegen
Deel wantrouwen — standaardnederlands.nl