vruchtbeginsel
zelfstandig naamwoordBetekenis
- het benedenste deel van de stamper, waarin zich de zaadknoppen bevinden, en dat kan uitgroeien tot vrucht
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| vruchtbeginselen | meervoud |
| vruchtbeginsels | meervoud |
| vruchtbeginseltje | verkleinwoord, enkelvoud |
| vruchtbeginseltjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
samenstelling van vrucht en beginsel
Woordfamilie van vruchtbeginsel
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| vruchtbeginselen | meervoud | vruchtbeginsel |
| vruchtbeginsels | meervoud | vruchtbeginsel |
| vruchtbeginseltje | verkleinwoord | vruchtbeginsel |
| vruchtbeginseltjes | verkleinwoord meervoud | vruchtbeginsel |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van vruchtbeginsel zijn vastgelegd.