vrijstaat
zelfstandig naamwoord, werkwoordBetekenis
- vrije republiek
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| vrijstaatje | verkleinwoord, enkelvoud |
| vrijstaatjes | verkleinwoord, meervoud |
| vrijstaten | meervoud |
Woordvorm
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van vrijstaan
- derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van vrijstaan
Vervoeging van vrijstaat
vrijstaathele werkwoord
Herkomst
Leenwoord uit het Duits, in de betekenis van ‘vrije republiek’ voor het eerst aangetroffen in 1719
Woordfamilie van vrijstaat
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| vrijstaatje | verkleinwoord | vrijstaat |
| vrijstaatjes | verkleinwoord meervoud | vrijstaat |
| vrijstaten | meervoud | vrijstaat |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van vrijstaat zijn vastgelegd.