vrijmetselaar
zelfstandig naamwoordBetekenis
- lid van een vrijmetselaarsorde die zich o.a. bezig houdt met vrijmetselarij
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| vrijmetselaars | meervoud |
| vrijmetselaartje | verkleinwoord, enkelvoud |
| vrijmetselaartjes | verkleinwoord, meervoud |
| vrijmetselaren | meervoud |
Herkomst
In de betekenis van ‘lid van de vrijmetselarij’ voor het eerst aangetroffen in 1776
Woordfamilie van vrijmetselaar
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| vrijmetselaars | meervoud | vrijmetselaar |
| vrijmetselaartje | verkleinwoord | vrijmetselaar |
| vrijmetselaartjes | verkleinwoord meervoud | vrijmetselaar |
| vrijmetselaren | meervoud | vrijmetselaar |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van vrijmetselaar zijn vastgelegd.