vormsel
zelfstandig naamwoord ˈvɔrᵊmsəlBetekenis
- (christendom) sacrament waardoor een gedoopte de kracht van de Heilige Geest ontvangt om zijn geloof standvastig te kunnen belijden
Hoe spreek je vormsel uit?
/ˈvɔrəmsəl/
Vormsel bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| v | vis |
| ɔ | bot |
| r | rood |
| ə | de |
| m | maan |
| s | sok |
| l | land |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — neuter
- sacrament waardoor een gedoopte de kracht van de Heilige Geest ontvangt om zijn geloof standvastig te kunnen belijden
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| vormsels | meervoud |
| vormseltje | verkleinwoord, enkelvoud |
| vormseltjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
Naamwoord van handeling van vormen met het achtervoegsel -sel, in de betekenis van ‘een sacrament’ voor het eerst aangetroffen in 1410
Woordfamilie van vormsel
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| vormsels | meervoud | vormsel |
| vormseltje | verkleinwoord | vormsel |
| vormseltjes | verkleinwoord meervoud | vormsel |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van vormsel zijn vastgelegd.