voorzet
zelfstandig naamwoord, werkwoordBetekenis
- (sport) trap of worp waardoor de bal bij een medespeler komt die kan scoren
zelfstandig naamwoord — masculine
- trap of worp waardoor de bal bij een medespeler komt die kan scoren
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| voorzetje | verkleinwoord, enkelvoud |
| voorzetjes | verkleinwoord, meervoud |
| voorzetten | meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van voorzetten
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van voorzetten
- derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van voorzetten
Vervoeging van voorzet
voorzethele werkwoord
Herkomst
samenstelling van voor en zet ww
Woordfamilie van voorzet
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| voorzetje | verkleinwoord | voorzet |
| voorzetjes | verkleinwoord meervoud | voorzet |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van voorzet zijn vastgelegd.