voorzaat
zelfstandig naamwoordBetekenis
- persoon waar men van afstamt
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| voorzaatje | verkleinwoord, enkelvoud |
| voorzaatjes | verkleinwoord, meervoud |
| voorzaten | meervoud |
Herkomst
In de betekenis van ‘voorvader’ voor het eerst aangetroffen in 1265
Woordfamilie van voorzaat
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| voorzaatje | verkleinwoord | voorzaat |
| voorzaatjes | verkleinwoord meervoud | voorzaat |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van voorzaat zijn vastgelegd.