vooruitsteken
werkwoordBetekenis
- zo ver als mogelijk in voorwaartse richting strekken
- verder in voorwaartse richting gestrekt zijn dan de rest
Vervoeging van vooruitsteken
vooruitstekenhele werkwoord — stak vooruitverleden tijd enkelvoud — staken vooruitverleden tijd meervoud — vooruitgestokenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | steek vooruit | stak vooruit |
| jij | steekt vooruit | staakt vooruit |
| hij, zij, het | steekt vooruit | stak vooruit |
| wij | steken vooruit | staken vooruit |
| jullie | steken vooruit | staken vooruit |
| zij | steken vooruit | staken vooruit |
Alle 146 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben vooruitgestoken | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent vooruitgestoken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is vooruitgestoken | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was vooruitgestoken | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd vooruitgestoken | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt vooruitgestoken | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal vooruitgestoken worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal vooruitgestoken zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou vooruitgestoken worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou vooruitgestoken zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had vooruitgestoken | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had vooruitgestoken | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had vooruitgestoken | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden vooruitgestoken | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden vooruitgestoken | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden vooruitgestoken | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt vooruitgestoken | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb vooruitgestoken | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben vooruitgestoken | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben vooruitgestoken | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben vooruitgestoken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben vooruitgestoken | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt vooruitgestoken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft vooruitgestoken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft vooruitgestoken | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is vooruitgestoken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is vooruitgestoken | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| stak vooruit | verleden tijd |
| steek vooruit | gebiedende wijs |
| te hebben vooruitgestoken | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen vooruitsteken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| vooruit te steken | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| vooruit te zullen steken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| vooruit zal steken | bijzin, toekomende tijd |
| vooruit zou steken | bijzin, voorwaardelijk |
| vooruit zouden steken | bijzin, voorwaardelijk |
| vooruit zoudt steken | bijzin, voorwaardelijk |
| vooruit zullen steken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| vooruit zullen steken | bijzin, toekomende tijd |
| vooruit zult steken | bijzin, toekomende tijd |
| vooruitgestoken | verleden tijd, deelwoord |
| vooruitgestoken te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| vooruitgestoken te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| vooruitgestoken te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| vooruitgestoken te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| vooruitgestoken te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| vooruitgestoken worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| vooruitgestoken zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| vooruitgestoken zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| vooruitgestoken zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| vooruitgestoken zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| vooruitstaakt | bijzin, verleden tijd |
| vooruitstak | bijzin, verleden tijd |
| vooruitstaken | bijzin, verleden tijd |
| vooruitsteek | bijzin, tegenwoordige tijd |
| vooruitsteekt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| vooruitstekend | onvoltooid, deelwoord |
| waart vooruitgestoken | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren vooruitgestoken | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren vooruitgestoken | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren vooruitgestoken | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was vooruitgestoken | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was vooruitgestoken | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was vooruitgestoken | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd vooruitgestoken | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd vooruitgestoken | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd vooruitgestoken | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden vooruitgestoken | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden vooruitgestoken | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden vooruitgestoken | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt vooruitgestoken | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word vooruitgestoken | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden vooruitgestoken | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden vooruitgestoken | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden vooruitgestoken | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt vooruitgestoken | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt vooruitgestoken | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal vooruitgestoken hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal vooruitgestoken hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal vooruitgestoken hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal vooruitgestoken worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal vooruitgestoken worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal vooruitgestoken zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal vooruitgestoken zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal vooruitsteken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal vooruitsteken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal vooruitsteken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal vooruitsteken | bijzin, toekomende tijd |
| zijn vooruitgestoken | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn vooruitgestoken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn vooruitgestoken | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt vooruitgestoken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou vooruitgestoken hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou vooruitgestoken hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou vooruitgestoken hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou vooruitgestoken worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou vooruitgestoken worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou vooruitgestoken worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou vooruitgestoken zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou vooruitgestoken zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou vooruitgestoken zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou vooruitsteken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou vooruitsteken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou vooruitsteken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou vooruitsteken | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) vooruitsteken vooruit zou(dt) steken | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden vooruitgestoken hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden vooruitgestoken hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden vooruitgestoken hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden vooruitgestoken worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden vooruitgestoken worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden vooruitgestoken worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden vooruitgestoken zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden vooruitgestoken zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden vooruitgestoken zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden vooruitsteken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden vooruitsteken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden vooruitsteken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden vooruitsteken | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt vooruitgestoken hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt vooruitgestoken worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt vooruitgestoken zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt vooruitsteken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt vooruitsteken | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen vooruitgestoken hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen vooruitgestoken hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen vooruitgestoken hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen vooruitgestoken worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen vooruitgestoken worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen vooruitgestoken worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen vooruitgestoken zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen vooruitgestoken zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen vooruitgestoken zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen vooruitsteken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen vooruitsteken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen vooruitsteken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen vooruitsteken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen vooruitsteken | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van vooruit bw en steken ww
Woordfamilie van vooruitsteken
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| stak vooruit | verleden tijd | vooruitsteken |
| staken vooruit | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | vooruitsteken |
| steek vooruit | gebiedende wijs | vooruitsteken |
| steekt vooruit | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | vooruitsteken |
| steke vooruit | woordvorm | vooruitsteken |
| steken vooruit | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | vooruitsteken |
| vooruitgestoken | voltooid deelwoord | vooruitsteken |
| vooruitstak | subordinate-clause, verleden tijd | vooruitsteken |
| vooruitstaken | subordinate-clause, verleden tijd | vooruitsteken |
| vooruitsteek | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | vooruitsteken |
| vooruitsteekt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | vooruitsteken |
| vooruitsteke | with-subordinate-clause | vooruitsteken |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van vooruitsteken zijn vastgelegd.