voorlijk
zelfstandig naamwoord, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord /ˈvorlɛɪk/Betekenis
- de lijn (lijkentouw) die ter versteviging aan de voorkant van een zeil vastgemaakt is op een zeilschip
- verder ontwikkeld dan in de gegeven tijdsduur verwacht zou worden, vroegrijp
- (predicatief) van voren komend (van wind)
- voortvarrend
- voorop staand
- vooraan
Hoe spreek je voorlijk uit?
/ˈvorlɛik/
Voorlijk bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| v | vis |
| o | boot |
| r | rood |
| l | land |
| ɛi | trein |
| k | kat |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| voorlijken | meervoud |
| voorlijkje | verkleinwoord, enkelvoud |
| voorlijkjes | verkleinwoord, meervoud |
bijvoeglijk naamwoord
- van voren komend
Herkomst
zelfstandig naamwoord: samenstelling van voor bw en lijk zn (verouderd: "zeiltouw")
Woordfamilie van voorlijk
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| voorlijke | woordvorm | voorlijk |
| voorlijken | meervoud | voorlijk |
| voorlijker | woordvorm | voorlijk |
| voorlijkere | woordvorm | voorlijk |
| voorlijkers | woordvorm | voorlijk |
| voorlijkje | verkleinwoord | voorlijk |
| voorlijkjes | verkleinwoord meervoud | voorlijk |
| voorlijks | woordvorm | voorlijk |
| voorlijkst | woordvorm | voorlijk |
| voorlijkste | woordvorm | voorlijk |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van voorlijk zijn vastgelegd.