voorhand
zelfstandig naamwoordBetekenis
- het voorste gedeelte van een hand
- een voorwaartse slag met bijv. een tennisracket
- het voorste gedeelte van een paard
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| voorhanden | meervoud |
| voorhandje | verkleinwoord, enkelvoud |
| voorhandjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
samenstelling van voor en hand zn
Woordfamilie van voorhand
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| voorhandje | verkleinwoord | voorhand |
| voorhandjes | verkleinwoord meervoud | voorhand |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van voorhand zijn vastgelegd.