voorafgaan
werkwoord voˈrɑfxanBetekenis
- voor iets anders komen
- gaan voor anderen, voorgaan
Hoe spreek je voorafgaan uit?
/voˈrɑfxan/
Voorafgaan bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| v | vis |
| o | boot |
| r | rood |
| ɑ | bad |
| f | fiets |
| x | acht |
| a | maan |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
werkwoord
- in een tijdsvolgorde een eerdere plaats hebben transitive
- een traject eerder afleggen transitive
- gaan voor, voorrang hebben boven transitive
Vervoeging van voorafgaan
voorafgaanhele werkwoord — ging voorafverleden tijd enkelvoud — gingen voorafverleden tijd meervoud — voorafgegaanvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | ga vooraf | ging vooraf |
| jij | gaat vooraf | ging vooraf |
| hij, zij, het | gaat vooraf | ging vooraf |
| wij | gaan vooraf | gingen vooraf |
| jullie | gaan vooraf | gingen vooraf |
| zij | gaan vooraf | gingen vooraf |
Alle 75 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ben voorafgegaan | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent voorafgegaan | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| ev. | gebiedende wijs |
| ga vooraf | gebiedende wijs |
| ging vooraf | verleden tijd |
| is voorafgegaan | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is voorafgegaan | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te zijn voorafgegaan | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen voorafgaan | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| vooraf te gaan | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| vooraf te zullen gaan | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| vooraf zal gaan | bijzin, toekomende tijd |
| vooraf zou gaan | bijzin, voorwaardelijk |
| vooraf zouden gaan | bijzin, voorwaardelijk |
| vooraf zoudt gaan | bijzin, voorwaardelijk |
| vooraf zullen gaan | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| vooraf zullen gaan | bijzin, toekomende tijd |
| vooraf zult gaan | bijzin, toekomende tijd |
| voorafga | bijzin, tegenwoordige tijd |
| voorafgaand | onvoltooid, deelwoord |
| voorafgaat | bijzin, tegenwoordige tijd |
| voorafgegaan | verleden tijd, deelwoord |
| voorafgegaan te zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| voorafgegaan zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| voorafging | bijzin, verleden tijd |
| voorafgingen | bijzin, verleden tijd |
| waart voorafgegaan | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren voorafgegaan | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren voorafgegaan | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren voorafgegaan | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was voorafgegaan | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was voorafgegaan | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was voorafgegaan | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| zal voorafgaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal voorafgaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal voorafgaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal voorafgaan | bijzin, toekomende tijd |
| zal voorafgegaan zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal voorafgegaan zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal voorafgegaan zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zijn voorafgegaan | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| zijn voorafgegaan | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn voorafgegaan | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn voorafgegaan | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt voorafgegaan | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou voorafgaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou voorafgaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou voorafgaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou voorafgaan | bijzin, voorwaardelijk |
| zou voorafgegaan zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou voorafgegaan zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou voorafgegaan zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou(dt) voorafgaan vooraf zou(dt) gaan | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden voorafgaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden voorafgaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden voorafgaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden voorafgaan | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden voorafgegaan zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden voorafgegaan zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden voorafgegaan zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt voorafgaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt voorafgaan | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt voorafgegaan zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen voorafgaan | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen voorafgaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen voorafgaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen voorafgaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen voorafgaan | bijzin, toekomende tijd |
| zullen voorafgegaan zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen voorafgegaan zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen voorafgegaan zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult voorafgaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult voorafgaan | bijzin, toekomende tijd |
| zult voorafgegaan zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult/zal voorafgaan vooraf zult/zal gaan | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van vooraf bw en gaan ww
Woordfamilie van voorafgaan
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| ga vooraf | gebiedende wijs | voorafgaan |
| gaan vooraf | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | voorafgaan |
| gaat vooraf | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | voorafgaan |
| ging vooraf | verleden tijd | voorafgaan |
| gingen vooraf | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | voorafgaan |
| voorafga | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | voorafgaan |
| voorafgaat | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | voorafgaan |
| voorafging | subordinate-clause, verleden tijd | voorafgaan |
| voorafgingen | subordinate-clause, verleden tijd | voorafgaan |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van voorafgaan zijn vastgelegd.