vloeken
werkwoord, zelfstandig naamwoordBetekenis
- uitroepen van vloekwoorden, beledigende taal gebruiken
- niet bij elkaar passen
Vervoeging van vloeken
vloekenhele werkwoord — vloekteverleden tijd enkelvoud — vloektenverleden tijd meervoud — gevloektvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | vloek | vloekte |
| jij | vloekt | vloekte |
| hij, zij, het | vloekt | vloekte |
| wij | vloeken | vloekten |
| jullie | vloeken | vloekten |
| zij | vloeken | vloekten |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| gevloekt | verleden tijd, deelwoord |
| gevloekt te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gevloekt zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gevloekt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gevloekt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gevloekt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gevloekt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gevloekt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gevloekt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gevloekt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gevloekt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gevloekt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gevloekt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gevloekt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gevloekt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gevloekt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gevloekt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gevloekt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben gevloekt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te vloeken | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen vloeken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| vloek | gebiedende wijs |
| vloeke | aanvoegende wijs |
| vloekend | onvoltooid, deelwoord |
| vloekte | verleden tijd |
| zal gevloekt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gevloekt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gevloekt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal vloeken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal vloeken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal vloeken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou gevloekt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gevloekt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gevloekt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou vloeken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou vloeken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou vloeken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gevloekt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gevloekt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gevloekt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden vloeken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden vloeken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden vloeken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gevloekt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt vloeken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gevloekt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gevloekt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gevloekt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen vloeken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen vloeken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen vloeken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen vloeken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gevloekt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult vloeken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord vloek
Herkomst
In de betekenis van ‘godslasteringen gebruiken’ voor het eerst aangetroffen in 1240
Woordfamilie van vloeken
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gevloekt | voltooid deelwoord | vloeken |
| vloeke | aanvoegende wijs | vloeken |
| vloekt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | vloeken |
| vloekte | verleden tijd | vloeken |
| vloekten | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | vloeken |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van vloeken zijn vastgelegd.