vlier
zelfstandig naamwoordBetekenis
- heester die bessen draagt
- een kruisbloemige sierbloem violier
zelfstandig naamwoord — masculine
- een geslacht Sambucus van snelgroeiende heesters of kleine bomen. In de lente dragen ze tuilen van witte of crèmekleurige bloemen, gevolgd door kleine rode, blauwachtige of zwarte vruchten. Ook komt er een vlier met paars blad en roze bloemen voor. De vruchten van de vlier zijn steenvruchten masculine
- / Matthiola annua kruisbloemige sierbloem feminine, masculine
- vliering obsolete
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| vlieren | meervoud |
| vliertje | verkleinwoord, enkelvoud |
| vliertjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
[1] erfwoord, in de betekenis van ‘plantengeslacht uit de kamperfoeliefamilie’ voor het eerst aangetroffen in 639
Woordfamilie van vlier
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| vlieren | meervoud | vlier |
| vliertje | verkleinwoord | vlier |
| vliertjes | verkleinwoord meervoud | vlier |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van vlier zijn vastgelegd.