vleien
werkwoordBetekenis
- (onoprechte) complimenten geven, meestal om bij iemand in de gunst te komen
- ketsen, een steentje met een afgeplatte vorm scherend over een wateroppervlak gooien zodat het zo vaak mogelijk stuitert
werkwoord
- complimenten geven, meestal om bij iemand in de gunst te komen transitive
Vervoeging van vleien
vleienhele werkwoord — vleideverleden tijd enkelvoud — vleidenverleden tijd meervoud — gevleidvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | vlei | vleide |
| jij | vleit | vleide |
| hij, zij, het | vleit | vleide |
| wij | vleien | vleiden |
| jullie | vleien | vleiden |
| zij | vleien | vleiden |
Alle 160 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben gevleid | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent gevleid | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is gevleid | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gevleid | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gevleid | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gevleid | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gevleid worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gevleid zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gevleid worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gevleid zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gevleid | verleden tijd, deelwoord |
| gevleid te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gevleid te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gevleid te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gevleid te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gevleid te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gevleid worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gevleid zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gevleid zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gevleid zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gevleid zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gevleid | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gevleid | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gevleid | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gevleid | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gevleid | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gevleid | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gevleid | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gevleid | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gevleid | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gevleid | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gevleid | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gevleid | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gevleid | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gevleid | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gevleid | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is gevleid | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is gevleid | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben gevleid | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te vleien | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen vleien | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| vlei | gebiedende wijs |
| vlei me | eerste persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| vlei u/je , vleit je | gebiedende wijs |
| vleide | verleden tijd |
| vleide je | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| vleide me | eerste persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| vleide u | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| vleide u | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| vleide zich | derde persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| vleide zich/u | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| vleide zich/u | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| vleiden je | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| vleiden ons | eerste persoon, verleden tijd, meervoud |
| vleiden zich | derde persoon, verleden tijd, meervoud |
| vleie | aanvoegende wijs |
| vleie zich | aanvoegende wijs |
| vleien je | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| vleien ons | eerste persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| vleien zich | derde persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| vleiend | onvoltooid, deelwoord |
| vleit je | tweede persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| vleit u | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| vleit u | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| vleit zich | derde persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| vleit zich/u | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| vleit zich/u | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| waart gevleid | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gevleid | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren gevleid | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gevleid | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was gevleid | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was gevleid | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was gevleid | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd gevleid | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd gevleid | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd gevleid | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden gevleid | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden gevleid | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden gevleid | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt gevleid | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word gevleid | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden gevleid | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden gevleid | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden gevleid | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt gevleid | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt gevleid | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal gevleid hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gevleid hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gevleid hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal gevleid worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gevleid worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal gevleid zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gevleid zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal me vleien | eerste persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal vleien | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal vleien | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal vleien | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal zich vleien | derde persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal, zult je vleien | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zich gevleid hebben | verleden tijd |
| zich vleiend | onvoltooid, deelwoord |
| zijn gevleid | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn gevleid | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn gevleid | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt gevleid | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou gevleid hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gevleid hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gevleid hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou gevleid worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gevleid worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou gevleid worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gevleid zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gevleid zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gevleid zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou vleien | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou vleien | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou vleien | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gevleid hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gevleid hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gevleid hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gevleid worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden gevleid worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden gevleid worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gevleid zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gevleid zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gevleid zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden vleien | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden vleien | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden vleien | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gevleid hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gevleid worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gevleid zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt vleien | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gevleid hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gevleid hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gevleid hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gevleid worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
Herkomst
In de betekenis van ‘flemen’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1265
Woordfamilie van vleien
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| vlei | gebiedende wijs | vleien |
| vleide | verleden tijd | vleien |
| vleiden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | vleien |
| vleie | aanvoegende wijs | vleien |
| vleit | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | vleien |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van vleien zijn vastgelegd.