vitaliteit
zelfstandig naamwoordBetekenis
- het vitaal zijn, de energie om te leven, levenskracht
- levensduur
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| vitaliteiten | meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘levenskracht’ voor het eerst aangetroffen in 1824
Woordfamilie van vitaliteit
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| vitaliteiten | meervoud | vitaliteit |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van vitaliteit zijn vastgelegd.