visum
zelfstandig naamwoordBetekenis
- een officiële toestemming een land binnen te reizen en in dat land te verblijven, afgegeven door het betreffende land.
- het bewijs dat een architect is ingeschreven bij de Orde van Architecten.
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| visa | meervoud |
| visumpje | verkleinwoord, enkelvoud |
| visumpjes | verkleinwoord, meervoud |
| visums | meervoud |
Herkomst
In de betekenis van ‘reisvergunning’ voor het eerst aangetroffen in 1950
Woordfamilie van visum
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| visa | meervoud | visum |
| visumpje | verkleinwoord | visum |
| visumpjes | verkleinwoord meervoud | visum |
| visums | meervoud | visum |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van visum zijn vastgelegd.