vigeren
werkwoordBetekenis
- gelden, van kracht zijn
Vervoeging van vigeren
vigerenhele werkwoord — vigeerdeverleden tijd enkelvoud — vigeerdenverleden tijd meervoud — gevigeerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | vigeer | vigeerde |
| jij | vigeert | vigeerde |
| hij, zij, het | vigeert | vigeerde |
| wij | vigeren | vigeerden |
| jullie | vigeren | vigeerden |
| zij | vigeren | vigeerden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| gevigeerd | verleden tijd, deelwoord |
| gevigeerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gevigeerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gevigeerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gevigeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gevigeerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gevigeerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gevigeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gevigeerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gevigeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gevigeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gevigeerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gevigeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gevigeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gevigeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gevigeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gevigeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gevigeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben gevigeerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te vigeren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen vigeren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| vigeer | gebiedende wijs |
| vigeerde | verleden tijd |
| vigere | aanvoegende wijs |
| vigerend | onvoltooid, deelwoord |
| zal gevigeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gevigeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gevigeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal vigeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal vigeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal vigeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou gevigeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gevigeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gevigeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou vigeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou vigeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou vigeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gevigeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gevigeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gevigeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden vigeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden vigeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden vigeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gevigeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt vigeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gevigeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gevigeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gevigeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen vigeren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen vigeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen vigeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen vigeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gevigeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult vigeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘gelden’ voor het eerst aangetroffen in 1553
Woordfamilie van vigeren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gevigeerd | voltooid deelwoord | vigeren |
| vigeer | gebiedende wijs | vigeren |
| vigeerde | verleden tijd | vigeren |
| vigeerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | vigeren |
| vigeert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | vigeren |
| vigere | aanvoegende wijs | vigeren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van vigeren zijn vastgelegd.